Leren Leren

Een mens
kan niet meer doen dan hij doet.
Maar als hij elke dag doet
wat hij kan,
kan hij 's nachts slapen
en 's anderendaags
opnieuw beginnen.

Albert Schweitzer

De eindtermen
Leren op 4 poten
Fimpje


 

1  Het is een misvatting te denken dat intelligente leerlingen automatisch ook een goede studiemethode hebben.
2 Zelfstandig notities nemen
3 Eigen notities leren maken: stappenplan
4 Ondersteunende elementen bij het zelfstandig notities nemen
5 Handboekgebruik bij leerlingen stimuleren
6 Betrokkenheid
7 Leer titels en ondertitels
8 Informatie zelfstandig verwerken tot eigen tekst
9 Foutenanalyse
10 Eet je slim
11 Herhalen
12 Structureren en schematiseren
13 Over aandacht (of te weinig aandacht) in de les...
14 Een doorlopende tekst structureren
15 WERO
16  Frans
17 Leerstrategieën: het principe van het 'voor'- en 'na'bereiden
18 Tips voor het bevorderen van de aandacht tijdens de lessen
19 Vragen leren lezen
20 Zichzelf leren bevragen - zelfcontrole
21 Leren in een bepaalde omgeving
22 Leerstrategieën
23 Rolwisselend leren
24 Waar ben jij goed in?
25 Leren met muziek?
26 Probeer je interesse voor je leerstof op te wekken!
27 Antwoorden formuleren
28 Staat je 'leerschakelaar' aan of af?

Meer informatie over leren leren vind je ook bij klasse .

Leren Leren - Tip 1: achtergronden

Het is een misvatting te denken dat intelligente leerlingen automatisch ook een goede studiemethode hebben.

Het is niet omdat een leerling kan antwoorden op een verwerkingsvraag of voor een wakkere repliek kan zorgen, dat hij ook instrumenteel met de aangeboden leerstof kan omgaan. Het is niet vanzelfsprekend dat hij kan plannen op termijn, zelfstandig notitie nemen, zelfcontrole uitvoeren, leerstof structureren...
Hoe vaak wordt niet gezegd: "Hij zou het wel aankunnen indien hij zou willen!" Wil hij dan echt niet of ...

Leren leren is dus belangrijk! Alleen, hoe krijg je die boodschap verkocht?

Zeker in de eerste graad worden heel wat 'lessen' over studiemethode gegeven. Hoeveel werkboekjes bestaan er niet over deze materie? In agenda's en handboeken staan vaak interessante tips... die leerlingen nauwelijks lezen. Leerlingen worden na een ontgoochelend rapport doorverwezen voor studiebegeleiding. Vaak met matig succes. Willenn onze leerlingen dan geen goede punten behalen?

De waarheid is dat "leren leren" geen kennisoverdracht is, maar continue gedragsbegeleiding.
Leren leren betekent dat leerlingen een goede leergewoonte moeten aankweken. (bijvoorbeeld elke dag rond hetzelfde tijdstip beginnen studeren, titels leren ...) Meer zelfs, het komt dikwijls neer op het afleren van een slechte studiegewoonte. (bijvoorbeeld alles uit het hoofd leren.)
Een goede gewoonte aanleren is moeilijk, een slechte afleren nog veel moeilijker! Weten we dat niet allemaal uit ervaring?
Het is niet omdat onze arts ons een gezondere leefstijl aanraadt, en ons een prachtige brochure meegeeft met interessante voedingsadviezen, dat wij ons die adviezen binnen de kortste keren probleemloos eigen maken ...

 

Leren Leren - Tip 2: zelfstandig notities leren

Wil je dat je leerlingen zelfstandig notities kunnen nemen? Bedenk dan dat de leerlingen een aantal tussenstappen moeten aanleren.
Een belangrijke tussenstap is: leggen van eigen accenten in bestaande notities.

Op bestaande tekst moet je reliëfaanduidingen leren aanbrengen:

  1. nummeren
  2. onderstreken
  3. markeren
  4. symbolen toevoegen
  5. kaders trekken

Doe dat in 3 fasen:

  1. klassikaal
  2. begeleid (schrijf als leerkracht een naantal kernwoorden op het bord, geef mondelinge ondersteuning)
  3. individueel

Extra tip: Maak kopieën die de leerlingen aanzetten tot het zoeken naar en het noteren van aanvullingen.

 

Leren Leren - Tip 3: eigen notities leren maken: stappenplan

Eigen notities leren maken: stappenplan

  1. De leerkracht biedt een titelstructuur van de les aan op een blad met witte ruimten.
  2. De leerkracht biedt een titelstructuur van de les aan op een blad ZONDER witte tussenruimten. Ook aan het bord volgt de leerkracht deze structuur.
  3. De titelstructuur wordt enkel nog via het bord aangegeven.
  4. De leerkracht biedt de structuur enkel mondeling aan maar wel met ondersteuning van inhuodsopgave handboek, als dat er is.

     

Leren Leren - Tip 4: ondersteunende elementen bij het zelfstandig notities nemen

  1. Zorg dat je altijd een geslepen potlood bij de hand hebt.
  2. Trek een iets bredere marge (ook op kopieën is dit een aanrader) zodat er ruimte is voor aanvullingen (in potlood)
    Extra tip voor de jongsten:
    Een te brede bladspiegel is een probleem. De regelbreedte heeft een grote invloed op hun leesniveau. De doorsnee regelbreedte van een tekstverwerkingsprogramma ligt om en bij de 18 cm. Dit is een geschikte breedte voor volwassenen. Hoe jonger kinderen zijn, hoe moeilijker ze het hebben om met een dergelijk tekstbeeld om te gaan. Een 12-jarige heeft grote moeilijkheden om een bladspiegeloverzicht te krijgeen vanuit een tekstbreedte die de 20 cm benadert.
    (Als volwassene zouden we dezelfde moeilijkheid ervaren als we een krant zouden lezen waarvan de artikels niet in kolommen afgedrukt zijn.)
  3. Gebruik commercieel geruit papier!
    Waarom?
    verticale steun
    juiste regelafstand
    Extra tip: helft blok thuis, helft blok in schooltas
  4. Gebruik 4stripes-papier (nog net iets beter dan commercieel geruit)
    Waarom?
    blauw vierkantje voor pagina en initiaal van het vak
    kantlijn in 4 afleveringen
    voordeel: sterker houvast voor de verschillende tekstniveaus
  5. Extra tip voor leerkrachten: gebruik de numerike nummering (werk niet met alfabet):
    1
    1.1
    1.1.1

     

Leren Leren - Tip 5: handboekgebruik bij leerlingen stimuleren

  1. Zorg dat je altijd een geslepen potlood bij de hand hebt.
  2. Trek een iets bredere marge (ook op kopieën is dit een aanrader) zodat er ruimte is voor aanvullingen (in potlood)
    Extra tip voor de jongsten:
    Een te brede bladspiegel is een probleem. De regelbreedte heeft een grote invloed op hun leesniveau. De doorsnee regelbreedte van een tekstverwerkingsprogramma ligt om en bij de 18 cm. Dit is een geschikte breedte voor volwassenen. Hoe jonger kinderen zijn, hoe moeilijker ze het hebben om met een dergelijk tekstbeeld om te gaan. Een 12-jarige heeft grote moeilijkheden om een bladspiegeloverzicht te krijgeen vanuit een tekstbreedte die de 20 cm benadert.
    (Als volwassene zouden we dezelfde moeilijkheid ervaren als we een krant zouden lezen waarvan de artikels niet in kolommen afgedrukt zijn.)
  3. Gebruik commercieel geruit papier!
    Waarom?
    verticale steun
    juiste regelafstand
    Extra tip: helft blok thuis, helft blok in schooltas
  4. Gebruik 4stripes-papier (nog net iets beter dan commercieel geruit)
    Waarom?
    blauw vierkantje voor pagina en initiaal van het vak
    kantlijn in 4 afleveringen
    voordeel: sterker houvast voor de verschillende tekstniveaus
  5. Extra tip voor leerkrachten: gebruik de numerike nummering (werk niet met alfabet):
    1
    1.1
    1.1.1

     

Leren Leren - Tip 6: betrokkenheid

De meest bepalende factor voor het goed functioneren van het geheugen is de betrokkenheid waarmee de persoon uit het hoofd leert. Wees overtuigd van de kracht en de waarde van het geheugen. Daardoor zal het gebruik en de training ervan toenemen.

Geef als leerkracht het geheugen het imago van een handig en waardevol instrument.

 

Leren Leren - Tip 7: leer titels en ondertitels

Leer titels en ondertitels. Ze zijn echt nodig voor een hoge toegankelijkheid van wat je gememoriseerd hebt.

 

Leren Leren - Tip 8: informatie zelfstandig verwerken tot eigen tekst

De leerlingen krijgen een opdracht waarbij informatie zelfstandig moet verwerkt worden tot een eigen tekst.

Het beoordelen van een open opdracht is niet altijd eenvoudig. Het voorbeeld hieronder van evaluatiecriteria kan misschien insprirerend werken.
Elk aspect wordt beoordeeld op een schaal van 5, maar de score wordt nadien omgerekend naar de vermelde subtotalen. Het eindtotaal bedraagt 60 punten.
Deze puntenverdeling kan natuurlijk aangepast worden.

Onderwerpkeuze (10 punten)

  1. Je beschrijving bestaat uit een klakkeloos uit een andere bron overgenomen tekst. Je beschrijving heeft geen betrekking op het onderwerp.
  2. De informatie is overgenomen uit een andere bron, maar je hebt er toch eigen accenten aan toegevoegd.
  3. De tekst vertrekt van eigen ervaringen, aangevuld met informatie uit andere bronnen.
  4. De eigen ervaringen vormen de hoofdmoot van het verhaal; de informatie uit andere bronnen heb je er op een goede manier in verwerkt.
  5. De eigen waarnemingen leveren een bijzonder goed verhaal op en de aanvullende informatie heb je daar eveneens uitstekend in verwerkt.

Inhoud (20 punten)

  1. In je beschrijving vind je zelfs geen informatie over de echt belangrijke zaken over het onderwerp. Ze bevat pertinente onjuistheden.
  2. Je beschrijving is oppervlakkig. De tekst is uitgesponnen en 'wollig': wel veel tekst, maar klaarblijkelijk dienen de woorden alleen maar om het vereiste aantal woorden/lijnen/bladzijden te bereiken - niet om echt informatie te geven aan de lezer.
  3. De lezer vormt zich aan de hand van je beschrijving een redelijk goed beeld over het onderwerp: de hoofdzaken staan erin vermeld, maar je hebt ze niet altijd voldoende uitgewerkt.
  4. De lezer vormt zich aan de hand van de beschrijving een duidelijk beeld over het onderwerp: niet alleen de hoofdzaken maar ook tal van andere interessante onderwerpen zijn goed uitgewerkt.
  5. Je geeft blij van een grondige kennis van het thema en je slaagt erin de lezer daarvan te overtuigen door interessante bijkomende informatie te geven. De lezer kan zich een goed beeld vormen en blijft niet met vragen zitten over bepaalde onderwerpen die in de beschrijving aan bod zijn gekomen.

Structuur (20 punten)

  1. Je verhaal is 'gehakt stro': losse items die op geen enkele manier met elkaar in verband lijken te staan.
  2. Je beschrijving vertoont op meerdere plaatsen een duidelijke breuk: er is een plotse overgang naar een andere onderwerp.
    Op enkele plaatsen dwaal je af naar onderwerpen die weinig of niets met het behandelde onderwerp te maken hebben.
  3. De structuur van je verhaal is meestal duidelijk en het is over het algemeen goed ingedeeld. Hier en daar zijn er toch nog enkele tekorten.
  4. Er zit een duidelijke 'lijn' in je verhaal, zodat het een geheel vormt. De overgangen zijn logisch.
  5. De structuur van je verhaal is zo logisch dat de lezer op geen enkel ogenblik wordt afgeleid maar zich perfect door het verhaal geleid voelt. De overgangen tussen de diverse delen zijn naadloos en vanzelfsprekend.

Schrijfstijl (10 punten)

  1. Je tekst is in een soort telegramstijl opgebouwd in plaats van uit gewone zinnen. Hij bevat bovendien tal van spel- en typfouten.
  2. Je tekst bevat meerdere 'kromme' zinnen en er komenn tal van spel- en typfouten in voor.
  3. Je tekst is opgebouwd uit correcte Nederlandse zinnen maar is weinig 'wervend'. Hier en daar zitten er nog foute zinswendingen en/of spel- en typfouten in.
  4. Je tekst is heel onderhoudend gescreven, zodat het een plezier is om hem te lezen. Er staan geen taal- of typfouten in.
  5. Topklasse! Je tekst geeft blijjk van zeer veel schrijftalent en is in perfect Nederlands geschreven.

Bron: Inspritatiehandboek zelfgestuurd leren (Vlor), pp. 46-48

 

Leren Leren - Tip 9: foutenanalyse

Het belang van foutenanalyse:
In een school in Dilbeek (A.S.O.) wordt heel veel aandacht besteed aan het leren uit fouten. Dat uit zich in een "remediëren" en een "foutenanalyse". Het is onder meer de bedoeling dat de leerkracht na elke examenperiode één lesuur besteedt aan die "foutenanalyse".

 

Leren Leren - Tip 10: Eet je slim

Je hersenen hebben suiker nodig dus veel snoepen in de toetsenperiode?
Onze hersenen werken met een bepaalde brandsof. Die brandstof is een combinatie van zuurstof en glucose. Glucose is een soort suiker, de enige soort suiker echter waar onze hersenen en zelfs ons hele lichaam mee werkt.
Wanneer je hersenen zich extra moeten inzetten, verbruiken ze héél veel suiker (glucose).
In die zin is het goed je hersenen wat extra voorraad suiker te geven als ze een topprestatie moeten neerzetten. Maar pas op... niet overdrijven!
Als er teveel glucose in je lichaam circuleert, geraken je hersenen hiervan uitgeput!
Onthou dat trage suikers (die je opneemt via fruit en groenten) beter zijn voor je hersenen dan snelle suikers (snoep e.d.)!

Nog een paar tips om je brein fit te houden:

  • maak van fruit en groenten je belangrijkste voedingsmiddelen;
  • eet kip of mager vlees;
  • eet gedroogde bonen en allerlei peulvruchten;
  • eet noten, vooral walnoten en amandelen;
  • eet vette vis (zalm, sardines, makreel) en schaal- en schelpdieren;
  • gebruik zo weinig mogelijk Omega-6-vetten: maïsolie, volle melk, boter, kaas, mayonaise, frieten, zonnebloemolie, saffloerolie, chips, ...
  • gebruik zo weinig mogelijk snelle suikers en zout;
  • verkies natuurlijke voedingsmiddelen boven snacks en kant-en-klaar maaltijden.

     

Leren Leren - Tip 11: herhalen

Het herhalen is de activiteit die het vergeten zeer succesvol tegengaat.

Het is vreemd dat alle leerlingen lachen met het volgende voorstel. Twee maanden vóór een zwemcompetitie moeten ze uit het zwembad wegblijven. Het moet volstaan met af en toe te gaan controleren of het water nog nat is. Twee dagen voor de grote dag begint er een geforceerde training van minstens 18 uur op 24. De leerlingen protesteren en voorspellen ongelukken op de competitiedag...

Herhaal "spaarzaam".

Heeft een leerling het signaal gekregen dat hij de les nog niet volledig kent, dan zal hij spontaan van voor af aan herbeginnen met die les. Hij vraagt zich niet eerst af welke woordjes, welke symbolen... hij al kent. Een leerling zal meer gemotiveerd en beter geconcentreerd leren als hij gericht kan bijleren wat hij nog niet kent.

Voorbeeld van glazen bokaal met moeilijke woorden. Woorden die je bij een volgende beurt kent, verdwijnen uit de bokaal. Woorden die je nog niet kent, gaan weer de bokaal in. Het aantal kaartjes vermindert systematisch en de leerling ziet dat hij vooruitgang maakt.

Kennen is verschillend van herkennen. Het enige criterium om te weten of de les gekend is, is opnieuw formuleren, zeggen, uitvoeren, tekenen. De (zelf)controle van een memoriseringsopdracht beperkt zich te dikwijls tot een bevestigend kijken van wat gekend moet zijn.

  1. Leer het aantal onderdeeln van een opsomming.
  2. Rangschik de elementen alfabetisch.
  3. Maak een letterwoord met de eerste letter van elk woord.
  4. Bedenk een filmscenariootje bij de elementen die je moet memoriseren.

Leer uit het hoofd in volgorde: kasteel, aap, sigaret, fiets, autoweg, meisje, restaurant.

Sluit de ogen en laat het volgende filmpje voor je geest afspelen: uit een kasteel komt een aap. Hij steekt een sigaret op. Hij neemt zijn fiets die tegen de voorgevel staat. Hij rijdt nu over de autweg. Daar ziet hij een meisje aan de rand van de baan staan. Hij neemt haar mee uit eten in een restaurant. Laat didt filmpje een paar keer draaien en de aap houdt je nog jarenlang gezelschap.

Beslist een syteem om te hanteren bij het leren van een werkwijze, het verloop van een scheikundige proef...

Bron: Deneve M., De leerkracht bij het leren leren, Altiora Averbode

 

Leren Leren - Tip 12: structureren en schematiseren

Structureren en schematiseren

  1. duidelijk lettertype: Arial 11; times New Roman 12
  2. smallere regelbreedte (zie vroeger)
  3. alinea-indeling moet duidelijk zijn
  4. duidelijkheid rond gebruikte woordenschat

Test het volgende uit om tot het volgende besluit te komen: de leerlingen moeten ervaren dat het in schema zetten van een tekst niet noodzakelijk meer tijdsinvestering vraagt, maar wel kan bijdragen tot een juist begrip van de inhoud.

Werkmateriaal (M. Deneve, p. 88-90)

Wist je dat in de praktijk veel informatieve teksten structureel van een hogere moeilijkheidsgraad zijn dan de teksten die voor het vak Nederlands geselecteerd woden?

Bron: Deneve M., De leerkracht bij het leren leren, Altiora Averbode

 

Leren Leren - Tip 13: Over aandacht (of te weinig aandacht) in de les ...

De meeste leerlingen hebben geen juist besef van de kwaliteit van hun aandacht tijdens de les. Ze weten niet dat er heel wat informatie wel gegeven, maar niet ontvangen wordt. Leerlingen redeneren: wat ik niet gezien heb, is niet getoond, wat ik niet gehoord heb, is niet gezegd. M.a.w. ik heb een feilloos perceptiesysteem.
Zolang leerlingen niet geloven dat de kwaliteit van hun perceptie niet zo schitterend is als ze denken, hebben ze ook geen enkele boodschap aan onze begeleiding tot gedragsverandering. Om leerlingen te laten beseffen dat zij niet alles horen of juist horen wat in de les gezegd wordt, bestaan specifieke didactische werkvormen.

In een les 'vragen noteren' gebruikt de leerkacht 5 minuten om het verloop van de les uit te leggen. De bedoeling is dat de leerlingen elke vraag die er gesteld wordt, op een blad noteren. De volgende 10 minuten wordt er geoefend. De leerkracht geeft een gewone les. Telkens er een vraag gesteld wordt, onderbreekt de leerkracht de les. Er wordt nagegaan wie de vraag gehoord heeft, en op geschreven heeft. Ook de formulering van de vraag wordt gecontroleerd door de verschillende opgeschreven versies met elkaar te vergelijken. De volgende 15 minuten wordt de les niet meer onderbroken maar de oefening gaat verder. Het laatste kwartier worden de opgeschreven vragen in groepjes vergeleken.
De leerlingen confronteren zichzelf nu met hun graad van aandacht. Voor sommigen is het een onaangename ervaring...

Ook via geïntegreerde werkvormen kunnen leerlingen ontdekken dat hun concentratie te wensen over laat.

Na het klassikaal verbeteren van een voorbereiding wordt een leerling gevraagd de juiste oplossingen even voor te lezen. Vaak ontdekken de leerlingen nog overgebleven fouten. Soms zelfs leest de lezer nog een fout, met een sterke reactie uit de klas als gevolg. De leerlingen verbeteren elkaars werk aan de hand van een sleutel. Achteraf wordt deze verbetering opnieuw nagekeken door een andere leerling. De leerkracht geeft mondeling inlichtingen over de vormvoorwaarden van een werk voor PO. Vlak voor het werk ingediend wordt, vergelijken de leerlingen de vorm van werkjes.

Bron: Deneve M., De leerkracht bij het leren leren

 

Leren Leren - Tip 14: Een doorlopende tekst structureren

Eerste stap: aanvullend structureren

Reliëf aanbrengen op de oorspronkelijke bladspiegel (zie vroeger) na eerste lezing en na verklaring van moeilijke woorden.

Tweede stap: verdichtend structureren

Samenvatten op een leeg blad

Hier beginnen pas echt de problemen. Leerlingen vragen naar de lengte. Wagen we ons aan een richtlijn in de buurt van één bladzijde, dan gebeuren de vreemdste dingen. Leerlingen met een vrij groot geschrift schrijven plots heel klein want het moet er toch op kunnen. Onderaan de bladzijde worden in potlood soms extra lijnen getrokken want één bladzijde was toch het maximum.

Leerlingen relateren "vat samen" te dikwijls aan een 'een aantal cm2' terwijl een goede samenvatting niets met oppervlakte, maar alles met minder en raak gekozen woorden te maken heeft. Vandaar dat het aangewezen is de instructie 'Schijf met minder woorden' te gebruiken. Het is een meer concrete vorm waar leerlingen bijgevolg ook beter weg mee kunnen.

Bron: Deneve M., De leerkracht bij het leren leren, Altiora Averbode

 

Leren Leren - Tip 15: WERO

Wist je dat lage cijfers voor het vak "WERO" in de lagere school ons heel wat duidelijk maken?

Het maakt niet uit of ze over de kruisspin of de kikker leren maar er zijn andere argumenten om aan dit vakdomein aandacht te besteden.
Om te beginnen is het een zeldzame gelegenheid om kinderen buiten de specifieke context van de lessen "begrijpend lezen" te laten omgaan met informatieve teksten, tekststructuren en schema's, het leren van teksten, het omgaan met nieuwe informatiekanalen ...
Procesmatig zijn de WERO-lessen dus van zeer groot belang. Temeer omdat de vaardigheden en processen duurzamere leerresultaten opleveren dan inhouden.

Bij zorgvuldig onderzoek van vroegere lagereschoolresultaten van onderpresterende pubers botsen we zelden op extreem lage cijfers voor taal en wiskunde. Vaak echter ontdekken we een opvallend zwakke score voor de zaakvakken. Deze lage cijfers zouden wel eens een teken aan de wand kunnen zijn i.v.m. de instrumentele leervaardigheid van het kind in kwestie. Nader onderzoek zou kunnen uitwijzen of het hier gaat om een gebrek aan de vaardigheid tot zelfstandig herhalen of om een gebrek aan de vaardigheid om teksten te leren of allebei. Kinderen moeten over beide mogelijkheden beschikken om in eindevaluaties WERO behoorlijk te kunnen slagen.

Voor taal en rekenen neemt de onderwijzer dag in dag uit de herhalingsfunctie voor zijn rekening.

Bron: Deneve M., De leerkracht bij het leren leren, Altiora Averbode

 

Leren Leren - Tip 16: (vreemde) talen

(vreemde) talen: de leerlingen denken na over wat ze al kennen/kunnen, hoe hun talenkennis evolueert en wat ze daarvoor zelf kunnen/willen doen.

Het portfolio (hier een voorbeeld voor Engels)

Bij het begin van het schooljaar denken de leerlingen na - aan de hand van een vragenreeks - over reeds verworven vaardigheden en het bereikte kennisniveau, over leemtes en vroegere mislukkingen, over successen en de redenen daarvoor. Ze moeten ook nadenken over waar hun kennis van de taal vooral vandaan komt.

Mogelijke vragen:

  • Wat ken ik? Waar zijn lacunes?
  • Waar komt die kennis vandaan? (school, tv, film, tijdschrijften, songs, reizen, ...)
  • Waar ben ik goed in? Waarin ben ik niet erg goed?
  • Waarom heb ik succes? Waarom faal ik?
  • Waar sta ik nu? Wat wil ik bereiken?

Waar hun kennis van de taal vandaan komt, stellen de leerlingen visueel voor met de figuur 'My Englisch Potato' (aan te passen aan de taal).

De leerlingen bespreken per twee de antwoorden op de vragen en vergelijken ze. Dit helpt hen om inzicht te verwerven in hun persoonlijke leerstijl. Die korte bevraging vormt de basis voor een persoonlijk studieplan. Dit studieplan is een engagement dat de leerling aangaat bij het begin van het schooljaar en het is een belangrijk onderdeel van het portfolio, waarnaar meermaals per jaar wordt teruggegrepen. In de loop van het schooljaar blijft de leerling zijn studiesuccessen of -mislukkingen documenteren enn evalueren. Het persoonlijk studieplan helpt de leerling dus om zijn studiegedrag te bepalen en te verbeteren.

Heel wat leerlingen stellen vast dat ze veel talenkennis buiten de school verwerven. Dat wordt verder aangemoedigd. We houden de leerlingen voor dat ze leren voor en van het leven (en niet voor de proefwerken). In het portfolio bewaren leerlingen niet alleen lesmateriaal en notities. Ze inventariseren ook de woordenschat die ze opsteken buiten de school en verzamelen andere zaken die ze buiten de school hebben leren kennen, zoals liedjes, tijdschriftartikels, boekbesprekingen, enz.

Het portfolio is daardoor de materiële weergave van het persoonlijk studieplan, en de persoonlijke leerprocessen en leerwegen.

Omdat de leerling veel verantwoordelijkheid krijgt voor zijn eigen leerproces, is ook de evaluatie grondig veranderd. Bezig zijn met de doeltaal wordt beloond, in de klas en daarbuiten. Een deel van de score wordt bepaald door de activiteiten die de leerling vrijwillig ontwikkelt door het actieve leren buiten de schoool, waarvan de leerling een neerslag geeft in zijn portfolio. De eindscore is een afweging van meerdere elementen, de procesmatige vormenn zijn daar een onderdeel van.

Bron: Inspiratiehandboek zelfgestuurd leren (Vlor), pp. 51-56

 

Leren Leren - Tip 17: leerstrategieën: het principe van het 'voor'- en 'na' bereiden

  1. Afbakening van de les:
    Waar begint de les?
    Waar eindigt ze?
    Moet ik een tekening leren?
    Staat er ook achtergrond in het handboek die ik moet lezen?
  2. Verkenning van de inhoud van de les:
    Wat is de titel van de les?
    Zijn er ondertitels?
    Houden ze verband met elkaar?
    In hoeveel en in welke delen kan de tekst ingedeeld worden?
  3. Situering ten opzichte van het geleerde:
    Van welk hoofdstuk maakt deze les deel uit?
    Het hoeveelste hoofdstuk is het?
    Wat zijn de titels van de andere hoofdstukken ook alweer?

Het 'na' bereiden van de les:
Meestal is het leren van de laatste zin ook het einde van de hele activiteit. Een paar ogenblikken moeten toch besteed worden aan een kort herzien/herlezen van de les met het accent op de structuur van de les. Ook de verbanden tussen de verschillende delen van de tekst krijgen hier bijzondere aandacht.

Maak de leerlingen gevoelig voor dit procédé door te verwijzen naar de strcutuur van een tv-journaal.

Goede avond, dames en heren.
Het is 7 uur. H ier volgt ons avondjournaal.
Eerst even de hoogtepunten van het nieuws van vandaag.

En twintig minuten later:
We herhalen nog even de hoogtepunten van het nieuws van vandaag.
(...)

We wensen u nog een prettige avond.

Bron: Deneve M., De leerkracht bij het leren leren, Altiora Averbode

 

Leren Leren - Tip 18: Tips voor het bevorderen van de aandacht tijdens de lessen

Leerlingen moeten leren omgaan met zoemers
Een zoemer is een gedachte die met het lopende onderwerp niets te maken heeft, maar wel een groot deel van de concentratieruimte bezet houdt.
'Zijn er vragen over het verschl tussen Dorische en Ionische zuilen?'
'Mevrouw, wanneer krijgen we de klasfoto's?'
Zoemers verstoren zeer sterk de aandacht. Vaak ligt de oplossing in een gezamelijke aanpak van alle leerkrachten van de klas. Gedurende enkele weken, hebben ze dezelfde reactie: 'Daar hebben we het nu niet over. Schrijf je vraag op een blaadje zodat je ze niet vergeet. Op het einde van de les komen we erop terug.'
Ook leerkrachten leren best omgaan met hun eigen 'zoemers'. Terwijl de leerlingen rustig werken aan een opdracht, is het beter hen niet te herinneren aan de rekening voor de klasfoto's: 'O, ja voor ik het vergeet...' en weg is de concentratie.

Mensen zijn beter in staat zich te concentreren indien hun opdracht afgebakend is in tijd en ruimte. Bij het formuleren van een opdracht wordt er dus best telkens bij vermeld hoe lang de leerlingen moeten luisteren, waar ze precies voorzichtig moeten zijn...

Bij het lezen van een tekst, verhoogt de aandacht van de leerlingen indien vragen die achteraf beantwoord moeten worden, vooraf geformuleerd zijn. Hetzelfde geldt voor opdrachten i.v.m. het bekijken van een video, het beluisteren van een muziekstuk.

Een beetje onvoorspelbaarheid zowel in materiaal als woordgebruik, tekstkeuze, handelingen bevordert de aandacht. Een verrassende opmerking, en de leerlingen zijn weer wakker. Een vleugje humor doet soms wonderen.

Het is beter een vraag naar aandacht als een ik-boodschap te formuleren. 'Dit is een ingewikkelde redenering. Ik zal proberen me zo duidelijk mogelijk uit te drukken... Dat vraagt wel wat concentratie. Controleeer je de redenering even met mij?'

Inventarisatie van de vragen. Bij het begin van een vragenmoment kunnen alle vragen eerst op het bord verzameld worden. De leerkracht kan de vragen één voor één behandelen, en wijzen op de onderlinge relatie tussen de vragen. Leerlingen herkennen zo ook hun eigen probleem in dat van anderen. Op deze manier voorkom je dat leerlingen minutenlang met hun vinger in de lucht zitten en ondertussen niet luisteren naar je antwoord op een eerder gestelde vraag.

Leerlingen moeten zich tijdens de les persoonlijk aangesproken voelen door de leerkracht, anders ebt hun concentratie weg. Op een vraag als 'Kan iedereen volgen?' zul je niet vaak veel reactie krijgen. Beter is:'Voor wie ga ik te snel?' 'Voor wie herhaal ik dit nog even?'

De techniek van het herformuleren. Door geregeld aan een willekeurige leerling te vragen een pas afgeleide definitie te herhalen, de vraag van een klasgenoot te verduidelijken, een werkwijze opnieuw te beschrijven houden we de concentratie hoog. Bovendien is deze herformulering een eerste herhaling van de nieuwe leerstof en dus belangrijk voor het memoriseren. Het kunnen herformuleren is zeer belangrijk bij de zelfevaluatie. Hoeveel leerlingen herformuleren de leerstof bij het studeren? Herkennen vinden ze vaak al voldoende. Het is goed deze techniek in de klas te oefenen.

Bron: Deneve M., De leerkracht bij het leren leren, Altiora Averbode

 

Leren Leren - Tip 19: vragen leren lezen

Leerlingen moeten erin slagen opdrachtwoorden te herkennen, vraagwoorden te detecteren, verschillende delen niet uit het oog te verliezen.

  1. Bij eenvoudige en/of enkelvoudige vragen:
    Fase 1: de leerkacht onderstreept zelf de opdrachtwoorden en de vraagwoorden.
    Fase 2: de leerlingen onderstrepen samen met de leerkacht.
    Fase 3: de leerlingen onderstrepen zelfstandig.
  2. Bij moeilijker of samengestelde vragen:
    Fase 1
    Het initiatief tot structurering gaat uit van de leerkracht; ook de antwoordruimte krijgt een structuur mee die klaar is voor gebruik.
    Fase 2
    De antwoordruimte moet door de leerlingen gestructureerd worden. Ze gebruiken daarvoor een gekleurde pen en nemen de structurering van de vraag over.
    Fase 3
    De leerlingen structureren de vraag met de hulp van de leerkracht of met bespreking achteraf onder leiding van de leerkracht.
    Fase 4
    De leerlingen werken zelfstandig maar de structurering wordt op de beide fronten (vraag en antwoord) nog expliciet gevraagd.
    Fase 5
    De structurering gebeurt nog enkel op initiatief van de leerling of op vraag van de leerkracht bij duidelijke nood aan remediëring.
    Fase 6
    Er wordt geen antwoordruimte meer voorzien maar structurering op vraagblad en op antwoordblad wordt nog wel gestimuleerd.

Bron: Deneve M., De leerkracht bij het leren leren, Altiora Averbode

 

Leren Leren - Tip 20: zichzelf leren bevragen - zelfcontrole

Zichzelf leren bevragen

Laat de leerlingen een huiswerkopdracht maken over het stellen van vragen. Geef de antwoorden. Laat leerlingen de vragen zoeken.
Geef een toets waarin jij de antwoorden geeft. Laat de leerlingen de vraag formuleren.

Zelfcontrole

  1. Noteer de woordenschat in notities altijd in verticale kolommen.
  2. Geef een blinde kaart, tekening... mee aan de leerlingen om thuis te oefenen.
  3. Verbeter oefeningen die je thuis voorbereid hebt, enkel in kleur.
  4. Zorg voor een rechtermarge bij invuloefeningen zodat leerlingen de oefening kunnen hermaken en niet invullen in de oefening zelf.
  5. Stimuleer de leerlingen tot het opnieuw maken van oefeningen.

Bron: Deneve M., De leerkracht bij het leren leren, Altiora Averbode

 

Leren Leren - Tip 21: leren in een bepaalde omgeving

Bepaalde hoofdstukken van een vak in een bepaalde omgeving leren en dan op het proefwerk die bepaalde omgeving weer voor de geest halen kan helpen.

De eigenschappen van de zoogdieren leer ik aan de keukentafel en die van de reptielen op de trap. Als ik de eigenschappen van de zoogdieren op de toets moet opschrijven denk ik eerst aan de keuken.

Ook kleuren kunnen een ordening en een associatie in de hand werken.

Woordenschat: Alle mannelijke substantieven schrijven we in het groen, alle vrouwelijke in het rood. Voor Duits halen we er een derde kleur bij.

Geschiedenis: De kenmerken van de drie grote beschavingen in Hellas schrijf ik op drie verschillende gekleurde steekkaarten.

Bron: Deneve M., De leerkracht bij het leren leren, Altiora Averbode

 

Leren Leren - Tip 22: leerstrategieën

  1. voorbereiden
  2. eerste lezing uitvoeren: met aanstippen van moeilijke woorden, opzoeken verklaring
  3. aanvullend, dan verdichtend structureren: tot het opstellen van een schema
  4. schema memoriseren
  5. planmatig herformuleren: het mondeling of schriftelijk herformuleren van het schema in volledige zinnen
  6. oorspronkelijke tekst herlezen met aandacht voor het schema.

Bron: Deneve M., De leerkracht bij het leren leren, Altiora Averbode

 

Leren Leren - Tip 23: rolwisselend leren

In het Sint-Ritacollege van Kontich (http://www.ritacollege.be) wordt sinds 1999 gewerkt rond een project "rolwisselend leren". Het systeem wordt er toegepast vanaf de derde graad. Elke leerling formuleert een aanbod om hulp te geven of formuleert een vraag om hulp. Alle leerlingen participeren aan dit systeem dat vijf maal per jaar plaats heeft. Aanbod en vraag kunnen gelden voor alle vakken die deel uitmaken van het curriculum. Vervolgens leggen de klasleraars vraag en aanbod naast elkaar en brengen de duo's amen waar de gevraagde hulp kan geboden worden. Voor deze school geldt deze manier van leren als het eindpunt van een hele leerlijn voor 'leren leren'.

Vier fasen

Het rolwisselend leren bestaat uit vier fasen:

  • In de eerste of oriëntatiefase kiezen de leerlingen niet alleen het vak, maar ook de leerstofonderdelen waarop zij willen werken. Beide leerlingen kiezen ook bewust welke verwerkingsstrategieën zij zullen aanwenden: willen ze leerstof concretiseren en toepassen, willen ze op zoek gaan naar de structuur in de gekozen leerstof of naar de verbanden tussen leerstofonderdelen. Deze fase krijgt een zinvolle invulling dankzij de voorkennis die de leerlingen hebben van de verschillende verwerkingsstrategieën (dieptewerking, stapsgewijze en concrete verwerking).
  • In de tweede fase voeren de leerlingen de gekozen verwerkingsstrategie uit.
  • De derde fase is de reflectiefase. Zowel 'leerling-leerkracht' als de 'leerling-leerling' stellen een aantal toetsvragen op die verband houden met de gekozen leerstof.
  • In de laatste fase volgt een evaluatie van het rolwisselend leren. De tweede, derde en laatste fase volgen elkaar onmiddellijk op. De eerste fase kan voorafgaandelijk plaatsvinden.

De eerste maal werken de leerlingen gedurende twee lesuren samen. Ze trekken dan meer tijd uit voor de voorbereidings- en evaluatiefase. De eerste maal vertrekt de leerling vanuit een analyse van zijn toetsen om na te gaan waar de problemen zich bevinden en welke foutieve verwerkingsstrategieën daarvan de oorzaak zijn. Op basis daarvan kiest de leerling andere, geschiktere verwerkingsstrategieën. De school biedt de leerlingen daarvoor voorbereidend materiaal aan.

De volgende vier maal neemt het rolwisselend leren telkens een lesuur in beslag en werken we klasdoorbrekend indien wenselijk. De leerkrachten spelen telkens de rol van coach. Zij begeleiden de samenwerking tussen de leerlingen, maar waken erover dat ze niet de verantwoordelijkheid van de 'leerling-leerkracht' overnemen. Het spreekt voor zich dat het in dat kader niet uitmaakt welke 'vakleraar' welke leerlingen begeleidt.

De verantwoordelijkheid voor het leerproces komt met dit systeem in handen van de leerlingen. Zij beslissen of ze bijkomende hulp nodig hebben of hulp kunnen bieden. Dit bevordert de mogelijkheden om na te denken over het eigen leren. De confrontatie met de 'leerling-leerling' versterkt ook het inzicht in de eigen leerstijl. Bovendien geeft het leerlingen goede mogelijkheden om hun eigen leercapaciteiten adequaat in te schatten. Lesgeven aan een 'leerling-leerling' verplicht de 'leerling-leerkracht' om de leerstof anders en dieper te verwerken.

Bron:Inspiratiehandboek zelfgestuurd leren (Vlor), pp. 110-116 (ter inzage in het leerlingen-secretariaat)

 

Leren Leren - Tip 24: Waar ben jij goed in?

Dit keer niet echt een 'leertip'. Eerder een positief, aanmoedigend tekstje ...

Waar ben jij goed in?
Hé niet zo bescheiden!

Natuurlijk ben jij goed in van alles en nog wat. Jammer genoeg zegt men je vaker wat je niet goed kan. Zo gaat dat meestal toch. Je zou het nog gaan geloven! 'Bescheidenheid siert de mens' hoor je volwassenen wel eens zeggen. Het klinkt als een wijsheid. Maar hoe 'wijs' is het jezelf voortdurend te ONDERschatten?

Voor je hersenen is het van groot belang te geloven dat je dingen kan. Stel: je gelooft niet, maar dan ook echt niet dat je iets kan. Een mop goed vertellen bijvoorbeeld. Je bent er tot in de kleinste vezel van je lijf van overtuigd dat jij GEEN moppen kan vertellen. Die overtuiging heb JIJ opgeslagen in je hersenen.
Wat gebeurt als je het toch eens probeert? Het commando het toch eens te proberen komt uit je hersenen. De mop zelf komt uit je hersenen. Diezelfde hersenen die jou voortdurend blijven herhalen: 'Je kan het niet!' Je kan het niet!' (jij hebt ze zo geprogrammeerd!). Dezelfde hersenen die jou angst doen hebben tijdens het vertellen, doen blozen...

Resultaat is dat het inderdaad vaak niet lukt.

Je brein is je trouwe slaaf. Als jij hem programmeert om iets NIET te kunnen, dan doet hij al wat hij kan om jou te doen falen. Weet jouw brein dat je 't wel kan, dan zorgt hij voor een succes! Dit heet 'de zelfvervullende gedachte' (selffulfilling prophecy). Zeker weten dat je meer kan als je gelooft dat het kan.

Bron: Jaspaert H., Maes P.; Verstand van leren & Leren van je Verstand, uit: Hebbes, 2004, p 6.

 

Leren Leren - Tip 25: Leren met muziek?

Muziek kan je beter doen studeren. Dat geldt voor iedereen. Maar dan moet je het wel juist aanpakken!
Wetenschappers ontdekten dat instrumentale muziek met beat van 50 tot 60 salgen per minuut stimulerend werkt op je brein!
Liedjes waarin gezongen wordt, laat je beter achterwege, zelfs al hebben ze de juiste beat. Deze liedjes leiden makkelijker af.
Test het gewoon eens uit! Ga eens een cd halen uit de bibliotheek en doe de test! De 4 jaargetijden van Vivaldi, of zijn gitaarconcerten, je ziet maar. Tenzij volledige stilte een absolute must is voor jou, zal je merken dat die muziek op de achtergrond niet alleen rustgevend is, maar ook je leereffect verhoogt!

Bron: Jaspaert H., Maes P.; Verstand van leren & Leren van je Verstand, uit Hebbes, 2004.

 

Leren Leren - Tip 26: Probeer je interesse voor je leerstof op te wekken!

Sommige mensen beweren een slecht geheugen te hebben voor schoolvakken. Ondertussen onthouden ze spelenderwijze de namen van alle voetbalspelers uit tientallen ploegen, soms met verjaardagen en alles erop en eraan. Gek toch! Het verschil zit 'm in één toverwoordje: interesse!
Stof om over na te denken. Interesse tonen voor leerstof is niet populair. Zo komt dat veel leerlingen dingen studeren, terwijl ze zichzelf wijs maken hoe saai het allemaal wel is. Dat is gas geven en remmen tegelijkertijd! Je probeert iets te onthouden (gas geven). Maar door ondertussen te klagen over hoe saai het allemaal is, zet je eenrem op je geheugen. Dom. Interesse is niet iets dat er is of niet is. Je kan interesse opwekken. In plaats van te zeuren over hoe saai het allemaal is, kan je ook zoekn naar wat je kan boeien.
We weten het: dat klinkt niet populair. Maar helpen doet het wel!

Bron: Jaspaert H., Maes P.; Verstand van leren & Leren van je Verstand, uit Hebbes, 2004.

 

Leren Leren - Tip 27: Antwoorden formuleren

Antwoorden formuleren
Leerkrachten klagen dikwijls over het feit dat leerlingen geen antwoorden kunnen formuleren. Het gaat hier niet zozeer om de inhoud maar om de antwoordstructuur.

Via de strategie van het probleemoplossend denken kunnen we de leerlingen meer inzicht laten verwerven in deze problematiek.

Dat houdt in dat we de leerlingen een theoretisch kader moeten laten ontwikkelen voor het hanteren van gepaste antwoordstructuren bij verschillende soorten vragen. Hiervoor classificeren we vragen naar de soort antwoordstructuur die er bij past.

  1. Vragen naar begripsomschrijving/definitie:
    wat is ..., definieer
  2. Scharniervragen
    waarom -> omdat
    waarmee -> met
    op welke voorwaarde -> als
  3. Beperkte info-vragen
    wat is het nut van, noem de kenmerken
  4. Gesloten opdrachten
    schrap, onderstreep
  5. Open opdrachten
    vergelijk, toon aan, bespreek
  6. Samengestelde types
    definieer en illustreer

Bron: Deneve M., De leerkracht bij het leren leren, Altiora Averbode

 

Leren Leren - Tip 28: Staat je 'leerschakelaar' aan of af?

Als je leert, dan gaat wat je interesseert erin als zoete koek. Wat je niet interesseert gaat aan je voorbij, omdat je er gewoon geen aandacht aan schenkt. Kun je je inbeelden hoeveel informatie al door je hersenen is weggefilterd?

Maar ... de hoop niet opgeven! Je kunt je hersenen programmeren. Als je je boek van biologie open slaat en zomaar 'wat' begint te lezen of te leren, dan zijn je hersenen NIET geprogrammeerd om informatie op te slaan. Je 'leerschakelaar' staat af. Het leereffect zal mager zijn.

Het kan anders! Je kan je eigen nieuwsgierigheid prikkelen door jezelf vragen te stellen. Dat kun je heel schools aanpakken, bvb door een titel om te zetten in een vraagje. Maar het kan ook veel speelser! Bijvoorbeeld je hebt een documentaire gezien op National Geographic over een thema dat ook in je biologieles aan bod kwam. Eens kijken of dat klopt met wat onze leraar hierover te vertellen heeft.
Door je vragend op te stellen, kunnen je hersenen heel goed de gezochte informatie uitfilteren!

Je kan studeren beschouwen als een wandeling door je cursus. Weet je op voorhand wat je zoekt, dan zal je het ook in je hoofd opnemen. Doe je zomaar een wandeling door je boek, zonder echte vragen in je hoofd, dan zal het resultaat maar magertjes zijn. En toch heb je in beide gevallen een even lange 'studiewandeling' gemaakt ...

Voor welke aanpak kies jij?

Bron: Jaspaert H., Maes P.; Verstand van leren & Leren van je Verstand, uit: Hebbes, 2004, p 28

Leergebiedoverschrijdende eindtermen leren leren

1.   De leerlingen kunnen losse gegevens verwerven en gebruiken door ze betekenis te geven en te memoriseren.
2.   De leerlingen kunnen op systematische wijze verschillende informatiebronnen op hun niveau zelfstandig gebruiken.
3.   De leerlingen kunnen op systematische wijze samenhangende informatie (ook andere dan teksten) verwerven en gebruiken.
4.   De leerlingen kunnen eenvoudige problemen op systematische en inzichtelijke wijze oplossen.
5.   De leerlingen kunnen, eventueel onder begeleiding:
   
  • hun lessen, taken en opdrachten plannen en organiseren
  • hun eigen leerproces controleren en bijsturen
6.   Houdingen en overtuigingen
    De leerlingen kunnen op hun niveau leren met:
   
  • nauwkeurigheid
  • efficiëntie
  • wil tot zelfstandigheid
  • voldoende zelfvertrouwen
  • houding van openheid
  • kritische zin

 

 

Leren op vier poten

Van kleuter tot puber: wie wil leren fietsen, dwarsfluit spelen, tandenpoetsen of oppervlakten berekenen, heeft een stoel nodig. Eentje met vier poten. Een kind moet (1) zich goed voelen, (2) capaciteiten hebben, (3) van aanpakken weten en (4) gemotiveerd zijn. Vier poten voor één stoel. Zet hem nu in elkaar: de (leer)stoel van je kind.

 

«Ik voel me goed»

(welbevinden)

 

Als je kind zich niet goed voelt in zijn vel (verdriet, gepest, altijd buikpijn, ruziënde ouders) of hij zit vol twijfels («Ik kan het niet») kan je kind niet leren. Al zijn er ook wel kinderen die zich supergemotiveerd op allerlei opdrachten storten om hun problemen te vergeten. Een kind op tien heeft last van faalangst, vaak omdat zijn ouders en leerkrachten te veel verwachten.

 

Schouderklop. Wie een kind wil helpen moedigt het aan, geeft schouderklopjes en knipoogjes. Je zegt beter "goed gedaan" dan "niet slecht".

Telefoon. Als kinderen thuis of op school problemen hebben, zijn die meestal niet in enkele weken opgelost. Praat tijdig met de leerkracht, geef alles wat tijd en volg goed op.

 

«Ik kan het» (capaciteit)

Je kind heeft de mogelijkheden, de capaciteiten om te doen wat jij of zijn leerkracht(en) van hem verwachten: zijn kleren netjes opvouwen, eten zonder morsen, Latijn studeren, muzieknoten lezen. Verwacht van je kind niet dat hij al zijn punten haalt op vraagstukken als hij niet echt een rekenknobbel heeft. Dat hij handig is terwijl hij eigenlijk twee linkse handen heeft.

 

Bril op. Verwacht van je kind niet meer, maar ook niet minder dan wat het kan. Er zijn weinig kinderen die alles goed kunnen. Dat geldt ook voor ouders. Aan elke school is een Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) verbonden. Bij problemen of twijfels kan je daar altijd terecht.

 

«Ik weet hoe het moet»

(vaardigheid)

 

Je kind weet hoe hij een taak (tandenpoetsen, opruimen, woordenlijstjes, vraagstukken) moet aanpakken.

Stappenplan voor elke taak:

Voor je aan een taak begint:

STAP 1: Wat moet ik precies kennen, kunnen, doen? Wat verwacht de leerkracht van mij? Als leerlingen heel concreet voor zichzelf kunnen formuleren wat ze moeten kennen en kunnen, is de kans groot dat ze een taak op een goede manier aanpakken.

STAP 2: Hoe ga ik dat aanpakken? Wat doe ik eerst? Wat dan? Hoeveel tijd heb ik daarvoor nodig?

Tijdens je werk

STAP 3: Ben ik goed bezig? Is het moeilijker dan ik dacht? Kan ik me goed concentreren. Waarom niet? Neem ik er meer tijd voor of moet ik er sneller doorheen gaan?

Na afloop:

STAP 4: Heb ik mijn taak juist uitgevoerd? Heb ik dat nu goed aangepakt? Wat kan ik? Wat gaat nog niet goed? Wat doe ik daaraan?

 

Punaises. Kopieer dit stappenplannetje en hang het op de plaats waar je kind zijn schoolwerk maakt. Help enkele keren met het plannetje. Het lijstje hangt trouwens in veel Vlaamse klaslokalen. Je kan het stappenplan met een beertjesmodel ook downloaden op www.klasse.be/archieven/extra/pdf/2001-09-01/beren.pdf

Leerstijl. Elk kind leert anders. Sommige kinderen leren al doende, andere denken liever na over een probleem. Hou daar rekening mee.

 

«Ik wil het» (motivatie)

Als je kind niet gemotiveerd is, kun je niet veel beginnen. Waarom is je kind niet gemotiveerd (geen interesse, het staat stoer om slechte resultaten te halen). Of kinderen gemotiveerd zijn voor een (school)opdracht hangt af van:

1. het feit of ze de opdracht al dan niet belangrijk vinden (een lijstje Latijnse woorden leren, de kleren op hun plaats opbergen in de kast)

2. ze zichzelf ook een redelijke kans geven (zelfvertrouwen) om in hun opzet te slagen. Doen ze dat niet, dan hebben ze geen zin om ervoor te gaan.

 

Pfft. Jonge kinderen leren graag. Als ze ouder worden moeten ze vaak presteren, cijfers halen. Kijk niet enkel naar de prestaties van je kind, ook naar zijn inspanningen. Fouten maken mag.

Waarom? Laat zien dat leren niet wereldvreemd is, een band heeft met het alledaagse leven. Leg de deeltafels uit met 21 snoepjes die je kind mag verdelen tussen zijn vrienden.

Loslaten. Help je kind, maar laat hem ook tijdig los daar waar het kan. Laat hem zelf bepalen waar en hoe hij werkt. Dan voelt hij zichzelf verantwoordelijk. Dat stimuleert motivatie en inzet.

 

 

Apen en papegaaien leer je trucjes, kinderen moeten we leren denken.

Hoeveel poten telt de stoel van jouw kind? Je kind kan pas leren op vier poten. Vier verhalen, vier ouders, vier poten. In elk verhaal ontbreekt één poot. Welke?

Dirk (42): «'Morgen toets metend rekenen: de driehoek', staat dan in Jens' (11) agenda. Maar wat moet hij precies kennen? Formules? Het verschil aanduiden tussen driehoeken? De oppervlakte berekenen? Dat is voor Jens niet altijd duidelijk. Voor ons ook niet.»

Kerima (32): «Alle kinderen van de derde kleuterklas kunnen hun naam al schrijven. Fikri (5) nog niet. Als ik hem vraag om te oefenen, loopt hij boos weg.»

Hildegarde (37): «Elke schooljaar opnieuw splitsen ze de klassen. Sien (8) zit niet meer bij haar vriendinnen. Al twee weken komt ze thuis van school en zegt ze dat het niet meer leuk is op school.»

Josée (34): «Het wordt elk jaar moeilijker met onze Jeroen (13). Ik hou mijn hart vast voor het nieuwe schooljaar. Eind vorig schooljaar vond hij het niet meer belangrijk om goede resultaten te halen op school. 'Goed presteren is voor de strevers, de zwakkelingen'.

Dirk: poot 3 ontbreekt - Kerima: poot 2 ontbreekt - Hildegarde: poot 1 ontbreekt en Josée: poot 4 ontbreekt