|
Gevoeligheden
De Axenroos.
Eindtermen
Uitgangspunten
Fimpjes voor leraar en ouder
Yeti
Pesten
KiesKleurTegenPesten
Pestweb
Verdriet en rouw
Verliefd, verloofd, getrouwd
Welke leerkracht ben je?
Scheiden is leiden/lijden
Vraag het aan Jos
|
|
| 1.1 |
|
De leerlingen kunnen zich op een assertieve
wijze voorstellen. |
| 1.2 |
|
De leerlingen kunnen in omgang met anderen
respect en waardering opbrengen. |
| 1.3 |
|
De leerlingen kunnen zorg opbrengen voor iets
of iemand anders. |
| 1.4 |
|
De leerlingen kunnen hulp vragen en zich laten
helpen. |
| 1.5 |
|
De leerlingen kunnen bij groepstaken leiding
geven en onder leiding van een medeleerling meewerken. |
| 1.6 |
|
De leerlingen kunnen kritisch zijn en een eigen
mening formuleren. |
| 1.7 |
|
De leerlingen kunnen zich weerbaar opstellen
naar leeftijdgenoten en volwassenen toe door signalen te geven
die voor anderen begrijpelijk en aanvaardbaar zijn. |
| 1.8 |
|
De leerlingen kunnen zich discreet opstellen. |
| 1.9 |
|
De leerlingen kunnen ongelijk of onmacht
toegeven, kritiek beluisteren en eruit leren. |
2 Sociale vaardigheden - domein gespreksconventies
|
| 2. |
|
De leerlingen kunnen in functionele situaties
een aantal verbale en niet-verbale gespreksconventies naleven. |
3 Sociale vaardigheden - domein samenwerking
|
| 3. |
|
De leerlingen kunnen samenwerken met anderen,
zonder onderscheid van sociale achtergrond, geslacht of etnische
origine.
|
1 Kerngedachten
Sociale vaardigheden zijn alle
gedragingen die men in onze cultuur ter beschikking moet hebben
om op een efficiënte en opbouwende wijze deel te nemen aan het
sociale leven, zowel op maatschappelijk als op interpersoonlijk
en familiaal vlak. Moeilijkheden op persoonlijk of
maatschappelijk vlak gaan vaak samen met een te beperkte sociale
bagage om in verschillende situaties op een bevredigende wijze
te functioneren.
Het onderwijs kan een bijdrage leveren
aan de ontwikkeling en ondersteuning van het sociaal
functioneren van jonge kinderen. Dat is het uitgangspunt van de
eindtermen sociale vaardigheden. Sociaal functioneren
veronderstelt een aantal inzichten, vaardigheden en attitudes
die kinderen gaandeweg verwerven. Dat doen ze in belangrijke
mate op basis van hun ervaringen thuis, in de familie, de buurt,
de leeftijdsgroep waar ze deel van uit maken. Maar een
belangrijke rol spelen ook de ervaringen die ze opdoen in de
klas en in de ruimere context van de school.
Juist bij jonge kinderen is de
bijdrage van het onderwijs aan het sociaal functioneren van
groot belang. In het kleuteronderwijs wordt een basis gelegd
waarop het lager onderwijs verder bouwt. De eindtermen van het
secundair onderwijs bouwen op hun beurt verder op die van het
lager onderwijs. Zo is er doorstroming, herhaling en verdieping.
De beschreven eindtermen houden op
zich geen keuze in van het mens- en maatschappijbeeld van
waaruit sociale vaardigheden het best worden aangewend. Ze
werden los van inhouden geformuleerd, zodat de school ze in het
eigen opvoedingsproject kan integreren. Ze steunen vooral op de
sociaal-psychologische wetmatigheden die spelen tussen mensen
binnen relaties, groepen, organisaties en maatschappelijke
situaties. Door de eindtermen in te oefenen zullen kinderen
beter in staat zijn om een goed verlopende sociale interactie te
starten, te ontwikkelen en tot een bevredigend einde te brengen.
Naargelang van ieders eigen cultuur en levensbeschouwing,
persoonlijke voorkeuren, overwegingen van haalbaarheid of de
eisen van concrete situaties kunnen daarin andere accenten
worden gelegd.
2 Domeinen
De geformuleerde eindtermen slaan op
de sociale vaardigheden die in de praktijk tot uiting komen
wanneer de situatie daar om vraagt. Afhankelijk van de situatie
handelen kinderen op eigen initiatief of als reactie op die
situatie. Binnen de schoolsituatie zal het sociale gedrag van de
leerling mee bepaald worden door de ruimte die het hele
schoolteam ervoor creëert. Sociale vaardigheden komen met andere
woorden niet enkel tot uiting bij het onderwijzen van
leerinhouden in de klas, maar vinden ook een ruimer
toepassingsgebied in het totale schoolse gebeuren.
Bij de concretisering van de
eindtermen wordt aandacht gevraagd voor drie specifieke domeinen
van het sociaal functioneren, namelijk relatiewijzen,
gespreksconventies en samenwerking. De keuze voor
deze domeinen vindt haar verantwoording in de gedachte dat men
binnen een schoolse context aan deze aspecten kan werken. De
domeinen staan in wisselwerking met elkaar. Zo is het belangrijk
te weten dat gespreksconventies beheersen een van de middelen is
bij het hanteren van de relatiewijzen. Leren samenwerken,
creëert dan weer situaties waarin de relatiewijzen en
gespreksconventies functioneren.
Relatiewijzen
Welke relatiewijze als bekwaamheid al
aanwezig is, hangt grotendeels af van de sociale en familiale
context van de kinderen. Toch zouden ze allemaal moeten kunnen
beschikken over een voldoende ruim gamma van relatiewijzen. Dat
moet ook, willen zij zich zowel binnen als buiten de school als
een sociaal vaardig persoon kunnen gedragen.
Maar daar hangt wel een voorwaarde aan
vast. Zo moet een kind op zijn niveau verschillende sociale
situaties goed kunnen inschatten. Voorts moet het zijn gedrag
ook kunnen aanpassen aan de situatie. Natuurlijk liggen bepaalde
relatiestijlen de ene persoon beter dan de andere. Iedereen
heeft recht op een eigen stijl en persoonlijkheid. Toch moet dit
individueel recht worden gerelativeerd door het recht van de
andere die men ontmoet. De kinderen moeten de sociale
vaardigheden oefenen die ze minder goed in de vingers hebben.
Het is hierbij van belang dat kinderen zich bewust zijn van de
verscheidenheid van omgangswijzen. Ze moeten ook weten dat een
relatiewijze niet eenzijdig wordt gehanteerd. Slechts op die
manier zullen kinderen in hun omgang met anderen een voldoende
ruim gamma van relatiewijzen kunnen aanwenden.
Gespreksconventies
In gesprek kunnen treden met anderen
en dit gesprek op een bevredigende wijze onderhouden en
afsluiten, is een onmisbare sociale vaardigheid. Ook in de
basisschool moeten kinderen kansen krijgen om zich te bekwamen
in het communiceren met andere kinderen, met de leerkrachten en
directie, met andere volwassenen, ... Belangrijk is wel dat
binnen de klas en de school hiervoor het vereiste klimaat wordt
gecreëerd.
Samenwerking
Kunnen deelnemen aan vormen van
samenwerking is een specifieke vaardigheid die men, net als de
vorige twee, kan leren en oefenen. Bovendien biedt kunnen
samenwerken met anderen een onvervangbare kans om van anderen te
leren. Dit geldt zowel voor samenwerken met twee als voor
samenwerken in een taakgroep of naar aanleiding van een
groepsdiscussie. |
«Respectvol
omgaan met kinderen kan ook kinderen helpen
om met leeftijdgenoten respectvol om te gaan
en ook om ten volle te begrijpen dat
volwassenen gerespecteerd moeten worden. Het
geweldloos socialiseren van kinderen vandaag
kan een belangrijke bijdrage betekenen aan
de geweldloze samenleving van morgen.»
(Eindrapport van de Nationale Commissie
tegen seksuele uitbuiting van kinderen,
1997, p.12)
Eén pestkop in elke klas
Eén op vier leerlingen in het
basisonderwijs is het slachtoffer van
pesterijen. In het secundair is dat nog 15
procent. Vooral kinderen tussen negen en
veertien jaar pesten er duchtig op los. Na
de leeftijd van vijftien jaar blijven alleen
nog de extreme gevallen doorgaan: jongens en
meisjes met meestal ook andere problemen.
Onderzoek toont aan dat 40 procent van de
slachtoffers nooit hulp krijgt.
Luc, leraar:
«Ik had het niet gezien»
«De stoere en slimme jongens van de klas
waren de pestkoppen. En enkele meelopers. Ik
had het niet gezien. Ze pesten vooral op
momenten dat er geen toezicht is. Steven wou
alles zelf oplossen: duwen, trekken,
terugslaan. Maar dat lukte niet. Hij werd
stiller in de klas en banger. Ik merkte dat
niet. Je kan Steven niet echt een typisch
slachtoffer noemen. Maar ze hadden hem als
doelwit gekozen. Waarom? Daarom, meer niet.
Tot een kleine groep van de klas vond dat
het zo niet meer kon. Ze kwamen me alles
vertellen. Ik heb heel nauwkeurig toezicht
gedaan. Tot ik ze kon betrappen. Dan ben ik
met de klas gaan praten. Hoe zou jij je
voelen als pestkop, als gepeste? Het was
niet in één keer opgelost, natuurlijk. Zo'n
situatie is meestal al te ver misgroeid om
in één twee drie op te lossen. Maar het was
een begin. Nu heb ik een klassenraad met
verkozenen uit de klas. Zo blijf ik o.a.
beter op de hoogte van wat er zich in mijn
klas afspeelt en moet niemand zich ooit de
klikspaan voelen.»
het probleem
wat?
Berekend pijn doen
Pesten gebeurt berekend. De pestkop wil
pijn doen, vernielen, kwetsen. Iemand laten
merken dat hij waardeloos is. Dat gebeurt
telkens opnieuw. Bijna altijd staat een
individu alleen tegenover een groep. De
pestkoppen zijn meestal dezelfden, de
slachtoffers ook
waar en wanneer?
Overal, maar niets gezien
Pesten komt vooral voor op momenten dat
de klasgroep ontsnapt aan het toezicht van
volwassenen: tijdens de speeltijd, in de
kleedkamers van het zwembad, op uitstappen,
tussen twee lesuren
hoe?
Schelden, schoppen, stelen en negeren
- Verbaal: spotten, uitschelden,
afdreigen, roddelen, leugens verspreiden,
vernederen Woorden laten geen bewijzen na en
zijn makkelijk te gebruiken.
- Lichamelijk: slaan, schoppen, vechten,
krabben
- Bezittingen stelen of vernielen: bril
doen verdwijnen, met de boekentas gooien,
sportzak verbergen
- Uitsluiten en negeren: meisjes doen dit
dubbel zo vaak als jongens, jongens
verkiezen veeleer de directe confrontatie.
wie?
Slachtoffers, pestkoppen en de anderen
Zowat de helft van de pesterijen gebeurt
in de eigen klasgroep. Er is zelden één
pester en één slachtoffer. Meestal gaat het
om een groepje pesters met één of meer
leidersfiguren tegen één of meer
slachtoffers. De buitenstaanders merken de
pesterijen wel op. Sommigen gaan
supporteren, meelopen. Anderen vinden ze
vervelend, maar durven niet reageren of
tussenkomen. Ze zijn bang dat ze zelf
slachtoffer worden.
Mogelijke signalen van een gepeste
leerling:
- isoleert zich van de anderen, soms
met één vriend(in)
- is vaak betrokken bij
samenscholingen of opstootjes in de klas
of op de speelplaats
- is vaker afwezig, gaat niet graag
naar school
- zoekt de veiligheid van de
leerkracht op
- heeft psycho-somatische klachten
(hoofdpijn, buikpijn)
- zijn schoolresultaten gaan plots
achteruit
- wordt dikwijls als laatste gekozen
bij het indelen van groepjes (sportles,
groepswerk)
Naast passieve slachtoffers zijn er
ook de provocerende slachtoffers. Zij
vertonen vaak agressief gedrag of afwijkend
sociaal gedrag (gaan vleien, klikken,
afkopen) waardoor ze irritatie en spanning
in hun omgeving oproepen.
Een afwijkend uiterlijk kenmerk
(huidskleur, gestalte, gewicht, kledij) is
op zich niet de oorzaak van de pesterijen,
eventueel wel de aanleiding. Het maakt de
afwijzing concreet en kanaliseert de
opgebouwde spanning.
Mogelijke signalen van een pestkop:
- doet stoer en wil imponeren
- is vaak fysiek sterker dan het
slachtoffer
- wil overheersen en zichzelf
bewijzen, ten koste van alles
- is impulsief en reageert agressief
bij tegenwerking
- heeft een groot idee van zichzelf
- omringt zich met meelopers die
zorgen voor zijn aanzien
- is eerder gevreesd dan geliefd in de
groep
gevolgen?
Schuld en boete
- Vaak leggen de slachtoffers de
oorzaak van het pesten bij zichzelf. Ze
voelen zich schuldig voor het verdriet
dat ze zichzelf en hun ouders aandoen.
- - Sommige slachtoffers reageren
agressief en gaan verbitterd anderen
pesten.
- - De sfeer in de klasgroep is
bedrukt en onveilig. De leerlingen
wantrouwen elkaar.
- - Leerkrachten komen niet graag meer
voor de klas, ze reageren korter en
gebruiken minder groepsgerichte
werkvormen zodat de spanning zich
onderhuids weer ophoopt.
- - Onderzoek heeft uitgewezen dat
hardnekkige pestkoppen meer kans hebben
om later in de criminaliteit verzeild te
geraken.
de aanpak
op individueel niveau
Het slachtoffer:
- Neem zijn verhaal ernstig, ga na wat
er gebeurt, vang hem op met
ondersteunende gesprekken. De leerling
moet voelen dat hij wordt geloofd. Geef
nooit de indruk dat de oplossing nu
nabij is.
- Ga in op zijn positieve kenmerken of
op positieve reacties van de groep. Ze
kunnen het zelfbeeld van het slachtoffer
ondersteunen.
- Bespreek de concrete pestsituaties
en bespreek alternatieve reactiewijzen
(«Wat had je kunnen doen? Hoe zou je in
het vervolg kunnen reageren?»)
- Ga op zoek naar de reden waarom hij
wordt gepest (is vlug geraakt, laat zich
makkelijk doen, reageert verkeerd) Soms
zal het slachtoffer extra begeleiding
nodig hebben (leren opkomen voor
zichzelf, sociale vaardigheidstraining).
Probeer het probleem dan niet alleen op
te lossen. Zoek hulp bij het PMS.
De pestkop:
- Spits je toe op zijn negatief of
ongewenst gedrag, niet op zijn persoon.
Kwets of kleineer hem niet. Hoe beter de
band is tussen jou en de pestkop, hoe
meer kans op resultaat.
- Laat nooit blijken dat iemand iets
is komen vertellen. Je hebt het pesten
zelf gemerkt.
- Maak samen afspraken («Wat doe je om
het goed te maken?», «Wat als het nog
eens gebeurt?» «Hoe ga je erop
letten?»).
- Ga op zoek naar de reden waarom hij
pest (mogelijke conflicten, op zoek naar
aandacht, aanzien willen). Soms is
verdere begeleiding (karakterproblemen,
zelfcontrole) nodig. Zoek dat uit met
het CLB.
De ouders:
- Ouders van pestende of gepeste
kinderen voelen zich verveeld of
beschaamd om het probleem bekend te
maken. Een vertrouwenspersoon op school
kan die drempel verlagen.
- Het nieuws kan bij de ouders van de
pestkop hard aankomen, als een
beschuldiging. De pestkop kan thuis
immers voorbeeldig en rustig zijn.
Vertel uitvoerig wat op school gebeurt.
Stimuleer de ouders om met hun kind het
probleem te bespreken. En niet meteen te
bestraffen.
- Ouders van de gepeste willen het
potje vaak gedekt houden omdat ze bang
zijn dat hun kind nog meer het
slachtoffer wordt. Overtuig hen dat er
oplossingen zijn. Help ze met hun kind
zoeken naar de oorzaak van het pesten en
naar alternatieve reacties op concrete
pestsituaties (rustige, humoristische
reacties). Ouders kunnen hun kinderen
ook stimuleren om naar de jeugdbeweging,
hobbyclub of academie te gaan, milieus
waar ze misschien niet worden gepest. Zo
winnen de kinderen aan zelfvertrouwen.
- Ouders van kinderen die niet
rechtstreeks met een pestgeval te maken
hebben, kunnen de rol van hun kind
bespreken. Luisteren naar de
pestverhalen van hun kind, ze bespreken
met de leerkrachten en andere ouders,
duidelijk maken waar de grenzen liggen.
op klasniveau De andere
leerlingen:
- Ga klasgesprekken niet uit de weg.
Bespreek het verschil tussen plagen,
ruzie maken en pesten. Kies als
leerkracht nooit de zijde van de
meelopers om zo je gezag en populariteit
te verzekeren.
- Meestal beseffen de meelopers wel
dat wat gebeurt, fout is. Laat de
leerlingen zelf over oplossingen
nadenken. Leer ze hoe ze in
pestsituaties kunnen reageren. Als
pestkoppen met hun gedragingen geen
succes meer ervaren bij de meerderheid
of zelfs op tegenkantingen botsen,
zullen de pesterijen vaak een stille
dood sterven.
- De leerlingen die niet rechtsreeks
bij het pesten betrokken zijn, kunnen
het slachtoffer meer bij hun
activiteiten betrekken en erop toezien
dat de pestkop zijn gemaakte afspraken
nakomt.
op schoolniveau De leerkrachten
en opvoeders:
- Hou collega's op de hoogte van
pestgevallen, praat erover en vraag hun
mening.
- Vraag ze om uit te kijken en op
pesterijen te reageren.
- Bevorder de communicatie rond het
probleem in alle geledingen van de
schoolgemeenschap (ouderraad,
leerlingenraad, leerkrachtenraad).
Ouders, leerkrachten en leerlingen
kunnen een interventieplan of
pestactieplan uitwerken. Liever vóór het
probleem zich voordoet dan naar
aanleiding van één concreet geval, dat
daardoor overdreven grote aandacht
krijgt.
de preventie
de pestvrije school zes tips
- Leerlingen als vol bekijken, met ze
praten, ze geloven, vertrouwen en
verantwoordelijkheid geven, voorkomt
frustraties en agressie.
- Zorg voor een school waar iedereen
zijn plaats heeft, waar geen anonimiteit
heerst en niemand aan zijn lot wordt
overgelaten.
- Stel samenwerking boven competitie.
Kanaliseer geldingsdrang naar
activiteiten als discussie en sport.
- Werk een gedragscode uit, een soort
reglement met betrekking tot pesten.
Duidelijke afspraken over wat men
toelaat of niet. En daar gepast en
consequent op reageren. Alle leerlingen
moeten de regels van bij het begin
kennen. Ze moeten ook weten waar ze
pesterijen kunnen signaleren. Wie ernaar
streeft om (een aantal van) die regels
samen met de groep op te stellen, zal
minder ontgoochelingen oplopen en minder
moeten sanctioneren. Zo groeien
verbondenheid en
verantwoordelijkheidsgevoel.
- Een goed uitgebouwde dialoog tussen
ouders en school en tussen leerkrachten
en opvoeders onderling en zorgt voor een
vlugge opsporing van een probleem.
- Veel nevenactiviteiten en een
overzichtelijke en boeiende speelplaats
voorkomen verveling en (dus) pesten.
het pestactieplan negen stappen
- Sensibiliseer directie,
leerkrachten, ouders en leerlingen (bv.
met een vragenlijst over pesten).
- Stel een werkgroep samen met alle
betrokkenen: directie, leerkrachten,
ouders, leerlingen.
- Maak samen afspraken rond gezonde
omgangsvormen. Wat kan, wat niet.
Iedereen moet de regels kennen en ze
naleven. Straffen moeten eerlijk, zinvol
en rechtvaardig zijn. Ze mogen bovendien
niet lang op zich laten wachten.
- Vertel elk kind en ouder waar hij
terecht kan als er een probleem is
(vertrouwenspersoon).
- Maak elke leerling vanaf de eerste
schooldag duidelijk dat de school geen
pesten duldt.
- Zorg voor een veilige plaats op
school, een vluchtheuvel waar iemand op
adem kan komen. Dat lukt enkel als een
leerkracht erop toeziet dat het
asielrecht niet wordt geschonden.
- Bespreek hoe dode momenten
(speeltijden, middagpauzes) op school
zinvol kunnen worden ingevuld (hobby's,
muziek, sport).
- Zorg voor voldoende effectief
toezicht (op de speelplaats, tijdens de
sportlessen, de maaltijden in de
eetzaal, de uitstappen).
- Evalueer regelmatig de activiteiten
en situatie op school. Stuur het plan
indien nodig bij.
Ruzie maken mag
Dat kinderen elkaar pesten,
elkaar bewust pijn doen, is heel
normaal. Kinderen zijn geen doetjes
en daar moeten ze zelf (en anderen)
mee leren omgaan. Al het geruzie
verbieden om zo pesten te voorkomen
werkt niet. Ruzie maken is voor
kinderen en jongeren erg belangrijk.
Het helpt hen om sociale
vaardigheden te ontwikkelen: hoe ga
je om met agressie, hoe onderhandel
je, wanneer ga je te ver? Terwijl ze
ruzie maken, zoeken ze hun positie
in de samenleving. Zo tasten ze
normen en waarden af, geven zin aan
hun leven. Kinderen en jongeren
worden sterk en veerkrachtig als ze
het gevoel hebben zélf die zin te
geven. Er moet dus een zone
overblijven waarbinnen ze kunnen
plagen en ruzie maken. Maar het kan
niet de bedoeling zijn dat ze elkaar
zwaar kwetsen. Ruzies en plagerijen
maken sterk, echt pesten doet pijn.
Op heterdaad
Pesterijen zijn niet alleen
moeilijk op te sporen, maar ook
complex en ondoorzichtig. Als
leerkrachten pestkoppen op heterdaad
betrappen, moeten ze kordaat
ingrijpen. Pestgedrag moet
onmiddellijk worden afgekeurd,
leerkrachten en leerlingen moeten
erover praten en een oplossing
zoeken voor de gepeste en de
pestkop. Maar het is belangrijk om
méér te doen dan alleen maar het
brandje te blussen. De individuele
aanpak van een pestprobleem moet
ingebed zijn in de pestacties op
klas- en schoolniveau. Hoe
duidelijker de aanpak voor iedereen,
hoe meer kans op succes.
Je kan meer over pesten lezen in:
Het Klassedossier op
www.klasse.be/dossier/pesten
|
De school kan
verdriet bij leerlingen niet wegnemen. Ze
kan haar leerlingen er wel mee helpen en er
leren mee omgaan. Maar hoe dan? Verdriet en
rouw een plaats geven op school bijvoorbeeld
Verstopt verdriet
Eén op vier leerkrachten in het
basisonderwijs verloor ooit een leerling.
Twee op drie leerlingen in het secundair
werden reeds geconfronteerd met de dood van
een leerkracht of medeleerling. Ziekte en
dood worden in onze samenleving vaak
verstopt. Ook op school. Maar verdriet en
rouw maken deel uit van het leven van elke
dag: de hond van Jonas wordt doodgespoten,
Evi verhuist of Jorens ouders gaan scheiden.
Een school die een klimaat creëert waar
leerlingen terecht kunnen met al hun
gevoelens, ook met hun kleine verdrietjes,
zorgt ervoor dat leerlingen ook groot
verdriet makkelijker kunnen verwerken.
Homer, leraar:
«Haar bank is blijven staan»
«Vincianne werd 's avonds doodgereden. De
volgende morgen wist ik het al voor ik naar
school vertrok. Hoe moest ik dit aan mijn
vijfde klas vertellen? Gelukkig waren er
enkele ouders op school aanwezig die meteen
bijsprongen, want alleen had ik het niet
gekund. We hebben de leerlingen voorzichtig
maar duidelijk het nieuws verteld. De rest
van de morgen verliep heel vreemd. Soms
huilden kinderen hartverscheurend en hield
een van de mama's hen alleen maar vast,
zonder iets te zeggen. Plots was het
doodstil, dan weer werd er verteld, gelachen
zelfs om een leuke herinnering. Het was een
weg en weer van gevoelens en woorden. Later
zijn we naar het park gegaan. Daar reageerde
iedereen zich op zijn manier af: soms hollen
en schreeuwen, dan weer doodstil staan of
hardop huilen. Het mocht.
De rest van de week zijn alle gewone
activiteiten moeten wijken voor ons
verdriet. Ik had een map met gedichten en
teksten rond de dood en die was de rode
draad in de week. We hebben getekend,
geschreven, gepraat En we hebben ook samen,
niet enkel met onze klas maar met de hele
school, ons deel gedaan in het afscheid en
de begrafenis. Gedragen door de hele school
konden we met ons verdriet overweg.
Dat verwerkingsproces heeft nog de rest
van het schooljaar geduurd en is wellicht
nog niet helemaal rond. Vinciannes bank is
blijven staan, met haar foto en een kaars.
Soms stond er plots een kind op en ging die
aansteken of we vormden samen spontaan een
kring rond de lege bank. Vergeten wordt
Vincianne niet.»
een probleem?
Wat?
VELE VARIATIES EN GRADATIES
- Op school komt verdriet in alle
gradaties en variaties voor: een
onvoldoende voor een proefwerk, «Ze
pesten mij», «Mijn ouders houden niet
van mij»
- Rouw is het verdriet om iemand (of
iets) die je dierbaar was en die je
kwijt raakt. Bij elk verlies («Mijn lief
heeft het uitgemaakt») kan er sprake
zijn van een rouwproces, dus ook bij een
scheiding of verhuizing.
- Het verdriet als een kind een dode
eekhoorn vindt in het bos is natuurlijk
van een andere intensiteit dan als er
een mens sterft met wie de leerling een
emotionele band heeft. Soms zet een
klein verlies de deur open om een groot
verdriet te verwerken (uitgestelde
rouw).
Hoe?
IEDEREEN ANDERS
- Een kind rouwt gedeeltelijk anders
dan een volwassene. Soms is het in
eerste instantie bezorgd om zijn eigen
behoeften («Wie brengt me nu naar de
muziekschool?»). Soms stelt het zijn
rouwen weken of maanden uit tot het zich
veilig genoeg voelt om zijn verdriet te
uiten. Geen van beide zijn een teken van
gevoelloosheid.
- Hoewel elke leerling volgens zijn
eigen persoonlijkheid en ontwikkeling
anders reageert, zijn er toch enkele
fases te herkennen qua leeftijd. Vaak
overlappen ze elkaar.
- Kinderen tot drie jaar.
Zij voelen duidelijk aan dat er iets
mis is, maar kunnen dat niet onder
woorden brengen. Sommige kinderen
huilen, anderen worden heel wild,
weer anderen kruipen weg in een
hoekje. Ze gaan zich soms 'vreemd'
gedragen.
- Drie- en vierjarigen zijn
merkelijk ontredderd. Zij hebben al
een besef van verlies. Zij hebben
moeite om het definitieve karakter
van de dood te aanvaarden. Zij
denken veeleer cyclisch: dood is een
tijdelijke fase waar weer leven op
volgt.
- Vier- en vijfjarigen
hebben een meer realistische
voorstelling van de dood, hoewel ze
die vooral met oud zijn associëren.
Iets wat kinderen m.a.w. niet kan
overkomen. Zij maken de verbinding
met angst, duisternis en slapen.
- Vijf-en zesjarigen denken
opnieuw cyclisch. Zij kunnen hun
gevoelens verbaal uiten en stellen
veel vragen naar de biologische kant
van het doodgaan. Ze hebben ook hun
eigen duidelijke creatie van
doodgaan.
- Zeven- tot tienjarigen
hebben niet enkel belangstelling
voor de fysieke aspecten van de
dood. Zij zijn ook bezig met wat er
na de dood gebeurt.
- Vanaf elf jaar kunnen
jongeren beter abstract denken. Hun
manier van omgaan met de dood gaat
in de richting van die van
volwassenen. De jongere gaat stilaan
op zoek naar de betekenis en waarde
van leven en dood.
Hoe?
ROUWEN IS WERKEN
Rouwen bestaat uit vier taken, die
iedereen moet doorlopen om een verlies echt
te verwerken. Sommige leerlingen rouwen niet
op het moment zelf en beginnen pas later na
een schijnbaar onbelangrijk incident hun
verdriet te verwerken. Rouwen gebeurt niet
vanzelf. Het is werken. Daarom spreken we
van rouwarbeid.
Taak 1: het verlies onder ogen
zien. Vaak probeert men kinderen en jongeren
te beschermen voor de realiteit. Dat maakt
verwerken moeilijk. Leerlingen in rouw
hebben behoefte aan aandacht, liefde en
veiligheid, een klimaat waarin ze hun
verlies onder ogen durven te zien. Maar ze
hebben ook behoefte aan duidelijkheid. Een
koekje of «Huil maar niet meer» helpen
niemand. Om leerlingen te steunen moeten
leerkrachten en ouders vragen uitlokken en
ze beantwoorden.
Taak 2: de pijn van het verlies
ervaren. Ouders en opvoeders willen kinderen
behoeden voor pijn. De omgeving voelt zich
bovendien oncomfortabel als iemand verdriet
uit en probeert het toe te dekken. Maar als
leerlingen de pijn niet voelen, komt ze vaak
op een later moment terug in de vorm van een
psychosomatische klacht (hoofdpijn,
slapeloosheid) of van afwijkend gedrag
(plotse onverklaarbare agressie, slechte
schoolresultaten). Wie met de dood wordt
geconfronteerd, moet door de pijn heen.
Alles wat dat proces onderdrukt, verlengt
het. Iemand die rouwt is overigens niet de
hele tijd depressief. Er zijn periodes van
hevige angst en verdriet, afgewisseld met
momenten dat het beter gaat. Uit die goede
tijden kan men echter niet afleiden dat
iemand over het verlies heen is.
Taak 3: leven zonder de
overledene. Het is niet altijd makkelijk om
de draad weer op te pikken. Als iemand
sterft, gaat men soms de dode idealiseren.
Als het rouwproces normaal verloopt, komt er
stilaan weer een realistisch beeld in de
plaats met goede en slechte(re) kanten.
Taak 4: zich emotioneel losmaken
en opnieuw investeren in andere relaties.
Sommigen denken de dode oneer aan te doen
door te investeren in andere relaties. Of ze
laten zich afschrikken door het feit dat ook
die nieuwe relaties kunnen eindigen in
afscheid en verdriet. Sommigen vinden het
verlies zo pijnlijk dat ze zich nooit meer
emotioneel willen binden. Zo willen
leerlingen bijvoorbeeld geen vriendje meer
hebben en trekken ze zich eenzaam terug.
Deze vierde taak is voor velen de
moeilijkste om te vervullen.
Het resultaat van geslaagde rouwarbeid
is niet: vergeten. Iets van het verdriet
gaat een heel verder leven mee. Maar
leerlingen gaan zich wel opnieuw goed
voelen. Ze kunnen opnieuw afrekenen met de
problemen van alledag en worden minder in
beslag genomen door het verdriet.
de aanpak
thuis en op school: aanpakken
- Een leerling die in zijn familie met
de dood wordt geconfronteerd, kan het
best opgevangen worden binnen zijn
gezin. Maar vaak hebben de leden van dat
gezin zelf zoveel te verwerken dat zij
niet openstaan voor de pijn en het
verdriet van de leerlingen. Heb geduld
met hen en spring bij waar nodig. Dan
kan een vertrouwde leerkracht veel
goedmaken. Hou echter ook rekening met
je eigen verdriet.
- Slaat de dood op school toe, dan is
het van groot belang dat de school als
geheel alle leerlingen opvangt, dus niet
enkel de klasgenootjes van de overledene
of de leerlingen van een overleden
leerkracht. Neem contact op met de
omliggende scholen. Ook daar kunnen
vrienden en vriendinnen van de overleden
leerling het moeilijk hebben.
Hoe reageren de leerlingen?
Bij het overlijden van een klasgenoot
reageert een groep leerlingen vaak volgens
een vast stramien:
- De meeste leerlingen - behalve
kleuters - reageren in eerste instantie
met verslagenheid. Het is dan aan de
leerkracht om de stilte te doorbreken
met gepaste vragen of opmerkingen,
zonder echter afbreuk te doen aan het
belang van die stilte.
- Dan sluiten ze de rangen. Dit is hun
verdriet. Zo steunen zij elkaar en
kunnen ze samen wenen. Heb echter oog
voor het feit dat ze misschien zo
vrienden van de overleden leerling
buitensluiten die niet in dezelfde klas
(of school) zitten. Anders komen die
alleen te staan met hun verdriet.
- Nadat ze van de eerste schok zijn
bekomen, willen leerlingen iets doen.
Luister aandachtig naar hun eigen
voorstellen. Die geven aan wat zij nodig
hebben. Help hen op zinvolle wijze hun
verdriet te uiten, maar ook medeleven te
betonen aan de ouders en familieleden
van de gestorven leerling. Zoek uit wat
de leerlingen kunnen doen bij de
begrafenis/uitvaartdienst/crematie
(samen een rouwboek maken van hun
tekeningen, een lied zingen of bloemen
dragen). Geef hen de kans om als groep -
eventueel met de hele school - de
begrafenis/crematie bij te wonen. Dat is
voor iedereen een belangrijke stap in
het rouwproces.
- Verdriet vraagt tijd. Hou de
herinnering van de overleden leerling
levend. Verwijder zijn of haar bank niet
uit de klas, hang een foto op, durf zijn
naam noemen bij speciale gelegenheden op
school. Dat helpt de anderen om hun
verdriet verder te verwerken. Het is
niet abnormaal als dat twee jaar duurt.
Negen maanden na een overlijden, heeft
één leerling op vijf er nog problemen
mee. Verminderde leerprestaties,
onhebbelijk gedrag, ongewone reacties
kunnen dan nog steeds een uiting zijn
van het verwerkingsproces. Heb daar
begrip voor en grijp de kans aan om
indirect opnieuw het onderwerp ter
sprake te brengen. Verwijs echter op
tijd door (naar CLB, huisarts) als de
rouw problemen dreigt te geven.
Hoe GEEF je hulp?
- Leerlingen worstelen op twee niveaus
met de dood. Intellectueel proberen ze
te begrijpen wat de dood betekent en
emotioneel proberen ze om te gaan met
hun gevoelens. Antwoord op al hun
vragen. Ze zijn soms bezig met concrete
feiten («Heeft hij het koud?» «Waar is
zij nu?»). Wees niet bang om te zeggen:
«Ik weet het niet.»
- Geef begrijpelijke en echte
antwoorden. Soms kunnen leerlingen niet
alle details aan. Het gaat er niet om of
we iets zeggen, maar hoeveel we zeggen,
op welk moment en op welke manier. Men
kan de uitleg doseren volgens wat ze op
dat moment aankunnen. Maar ook voor de
volwassene kan het te moeilijk worden.
Zeg dan gerust: «Meer kan ik je nu niet
vertellen want ik heb het moeilijk.»
Maar beloof wel dat je er later op
terugkomt. En doe dat dan ook! Een
volwassene is in zijn reacties een model
voor de leerlingen.
- Luister naar de gevoelens achter de
vragen. Spreek niet alleen over de
overledene maar ook over de gevoelens
van de leerling.
- Vertel de leerlingen dat iedereen
die de dode heeft gekend, het nu
moeilijk heeft. Als volwassenen hun
verdriet durven laten zien, voelen ze
dat het een normale reactie is, die dus
mag. Anders denken ze misschien dat ze
overdrijven en kroppen hun gevoelens op.
Of ze geloven dat de volwassenen in
kwestie niets gaven om de dode.
- Zeg dat niet iedereen gevaar loopt
om nu te sterven, dat men meestal sterft
na een lang leven. Vertel echter geen
leugens: iedereen gaat uiteindelijk
dood, maar we weten niet wanneer.
- Als je anders nooit over religie
praat, moet je dat nu ook niet doen. Dat
schept alleen verwarring.
- Zeg dat verdriet lang kan duren en
nooit helemaal verdwijnt. Als men iemand
voorhoudt dat hij wel gauw niet meer
verdrietig zal zijn, zal hij na een
tijdje zijn gevoelens niet meer durven
tonen.
- Vertel de leerling dat je altijd
samen wil praten over de overledene.
- Maak duidelijk dat niemand ooit in
staat zal zijn de plaats van de
overledene volledig in te nemen. Een
moeder die overleden is, zal altijd de
moeder blijven van die leerling.
- Hou de herinnering in stand. Doe
niet alles weg wat aan de dode
herinnert. Praat er geregeld over.
preventie
Wat kan een school of individuele
leerkracht 'preventief' doen om leerlingen
te steunen bij het omgaan met verlies en
rouw?
GEEF RUIMTE AAN DE DOOD
- Creëer op school een atmosfeer
waarin het niet raar of stom is om
emoties (blij, bang, boos) te hebben,
maar waar emoties tot het dagelijkse
leven behoren.
- Ga het onderwerp 'dood' niet uit de
weg. Er doen zich geregeld gelegenheden
voor om er terloops over te spreken (een
dood dier in het park, verkeer, niet
alleen rond één november). Zo kunnen
leerlingen vragen stellen in een niet
emotioneel geladen sfeer en wordt het
makkelijker erover te praten als er zich
echt een sterfgeval voordoet.
- Voorzie een stille hoek in de klas
of een stille ruimte in de school.
Leerlingen kunnen daar naartoe als ze
dat wensen. Daar worden wel dwingende
afspraken over gemaakt. Wie er naartoe
gaat mag niet gestoord worden door
andere leerlingen. De leerkracht kan wel
suggereren om te praten over de
gevoelens van de leerling die zich
terugtrekt.
- Neem als school de basishouding aan:
«Hoe kunnen we helpen?». Zonder
bemoeizuchtig te zijn of jouw hulp te
willen opdringen, kan je je steun
aanbieden, zowel aan de leerlingen in
kwestie als aan de betrokken ouders. Wat
expliciete aandacht («Hoe gaat het met
je stage?») kan een uitnodiging zijn
waar de leerling al dan niet kan op
ingaan.
- Is er een ritueel in de school waar
je naar kan teruggrijpen in een
crisismoment? Bijvoorbeeld een kring
vormen en even stil zijn. Leerlingen
herkennen dat ritueel als dragend. Zij
voelen zich in de groep opgenomen en
gesteund, ook op moeilijke momenten.
Leerlingen weten vaak heel goed welke
elementen ze willen inbouwen in zo'n
ritueel. Volg hen daarin in de mate van
het mogelijke.
- Geef ruimte aan de doden. Als er op
school een leerling of een leerkracht is
overleden, hou de herinnering levend op
school. Een permanente foto bijvoorbeeld
in de inkomhal, blijkt een enorme steun
te zijn, zowel voor de betrokken
leerlingen als voor de ouders. Het is
ook een gelegenheid om over de
overledene te spreken als iemand daar
behoefte aan heeft en het geeft het
signaal: dood is niet vergeten.
WERK AAN EEN STAPPENPLAN
Bij het overlijden van een leerling of
een leerkracht komt heel wat kijken. Het is
best als je er binnen het schoolteam,
inclusief het CLB, vooraf over nadenkt hoe
je zoiets kan aanpakken. Duidelijke
afspraken bieden een steun als het ooit
nodig moest blijken. Maar er moet natuurlijk
ruimte zijn voor aanpassingen op het moment
zelf.
Wat je moet bespreken:
- De eerste opvang. Wie zorgt indien
nodig voor de opvang van diegene die het
bericht brengt (dat kan bv. een zusje of
een ouder zijn), wie verifieert de
informatie (als het bericht niet van de
familie komt) en zoekt contact met de
nabestaanden?
- Het crisisteam. Hierin zit zeker de
directeur, de klastitularis, eventueel
bereidwillige ouders of externe
specialisten indien nodig. Eén persoon
is eindverantwoordelijke. Het crisisteam
coördineert initiatieven en is
verantwoordelijk voor alle praktische
regelingen, maar ook voor
informatieverstrekking, contacten met de
ouders, nazorg Het team beslist wie
geïnformeerd moet worden (vergeet de
vaste buschauffeur, afwezige leerlingen
en leerkrachten, CLB-medewerkers niet)
en wie dat doet.
- 3. Het slecht nieuwsgesprek. Als er
een leerling van de school sterft is het
vaste lesrooster zeker die dag niet aan
de orde. De getroffen klas wordt bij
voorkeur de hele dag begeleid door een
vertrouwde leerkracht (klasleraar,
groene leerkracht). Dwing echter
niemand: respecteer het als een bepaalde
leerkracht het te moeilijk heeft. De
verantwoordelijke kondigt in de klas het
nieuws zo snel mogelijk aan en geeft zo
juist mogelijk informatie. Beslis wie de
overige leerlingen waar toespreekt. Ook
buiten de getroffen klas kunnen er
leerlingen een sterke band hebben met de
overledene. Denk van tevoren zorgvuldig
na over wat je precies gaat zeggen en
hoe je dat doet (een inleidende zin; het
hoe, waar en wanneer; het bericht zonder
franjes maar niet emotieloos; voldoende
tijd voor emoties). Dit alles geldt ook
als je de kans hebt gehad de groep op
een overlijden voor te bereiden,
bijvoorbeeld na een langere ziekte.
- Leerlingen die het echt te moeilijk
krijgen, kunnen misschien in een bepaald
lokaal worden opgevangen. Waar? Door
wie?
- Wie neemt nog dezelfde dag contact
op met de ouders en maakt een afspraak
voor een huisbezoek? Overleg de volgende
dagen met hen over de mogelijkheden voor
de andere leerlingen om afscheid te
nemen, op bezoek te komen Blijf hen
trouwens uitnodigen voor schoolfeesten
Duid daarvoor een verantwoordelijke aan.
- Wie informeert de andere ouders via
een brief? Daarin moet staan: precieze
informatie, wat de school doet qua
opvang, wat ouders thuis kunnen doen,
bij wie ze terecht kunnen met eventuele
problemen.
- Wat bij een overlijden tijdens de
vakantie: wat doen we minimaal op dat
moment? Hoe vangen we de leerlingen op
na de vakantie?
- Las ook evaluatiemomenten in binnen
de school. Doen we het goed? Wat kan
beter? Heb daarbij ook aandacht voor
mogelijke problemen van collega's.
Jan, directeur:
«Ik snap het niet»
«Ik heb zelf onlangs een zoon
verloren. Sindsdien komen mensen
wel eens wat aan mij vertellen
over hun ervaringen met een
overlijden. Zo reageerde een
leerkracht onlangs buitengewoon
koel in een klas. Hij zei: 'Ik
snap niet dat Bart de begrafenis
van zijn opa belangrijker vindt
dan het examen van Frans.' Zo'n
mensen zijn er dus ook»
Scheiden doet rouwen
Wie met een (nakend) verlies
geconfronteerd wordt, kan
uiteenlopende gevoelens
doormaken. Neem bijvoorbeeld een
kind dat verneemt dat zijn
ouders gaan scheiden. Het voelt
zich afwisselend onzeker
(«Misschien is het niet waar»),
ontkent de feiten («Bij ons kan
dat niet»), wordt kwaad, begint
te marchanderen («Als ik nu eens
extra mijn best doe thuis, dan
blijven ze misschien bijeen»),
wordt ten slotte misschien
depressief («Het is hopeloos»).
Pas als iemand de feiten
onder ogen ziet, kan de echte
verwerking - de eigenlijke rouw
- beginnen. Je kan die
verschillende stadia (h)erkennen
bij een leerling en hem ook
helpen die gevoelens te
kanaliseren en eventueel te
relativeren.
«Wat met mijn gevoelens?»
Om gepast te reageren op het
verdriet van kinderen en
jongeren, is het nodig dat
leerkrachten zelf kunnen
stilstaan bij hun eigen angsten
omtrent leven en sterven. Dat
zij hun eigen verdriet kunnen
uiten en durven tonen en niet
overdreven angstig reageren als
verdriet wordt geuit. Leerlingen
houden sterk in de gaten hoe een
leerkracht omgaat met zijn
gevoelens. Een belangrijke
houvast: wees authentiek.
Leerlingen voelen haarscherp aan
of gevoelens oprecht dan wel
gespeeld zijn. Steun ook elkaar.
De aandacht die collega's elkaar
geven op moeilijke momenten, is
de beste boodschap over wat men
van hen verwacht naar de
leerlingen toe.
Niet (h)erkend verdriet
Als een leerling buiten de
school met de dood wordt
geconfronteerd, bijvoorbeeld bij
het overlijden van een
grootouder, moet de leerkracht
hem vragen wat hij nodig heeft.
De leerling kan zelf aangeven
wat hij met zijn verdriet wil
doen in de klasgroep. Hij moet
in elk geval de opening krijgen.
De leerkracht kan de leerling
apart aanspreken en voorstellen
in de klas iets te vertellen of
iets mee te brengen van de
overledene. Er moet in elk geval
vanuit de school een aanzet zijn
zonder iets te forceren.
Het overlijden van een ouder
tijdens de vakantie riskeert
onopgemerkt voorbij te gaan op
school. Aarzel niet de leerling
erover aan te spreken zodra je
het verneemt, ook al is dat al
een tijd later. Dat kan voor de
leerling een belangrijk signaal
zijn dat hij met zijn verdriet
ergens terecht kan.
Verdriet en dood in boeken
Kinderen houden van verhalen,
vooral als die
identificatiemogelijkheden
bieden. Er bestaan tal van
boeken, gedichten en
prentenboeken met de dood als
onderwerp. De gekozen teksten
moeten aangepast zijn aan de
leeftijd van de leerlingen. Ook
moeten ze een positieve teneur
hebben, zonder echter de
problemen te minimaliseren. Er
moet een vertrouwen uit spreken
dat ooit 'het gras weer groen
wordt en de zon weer zal
schijnen'.
Zorg dat dergelijke
hulpmiddelen in de school
aanwezig zijn, zodat ze niet in
een crisismoment moeten worden
bijeengesprokkeld. Ze zijn ook
een goede aanleiding om de
thematiek aan te snijden buiten
een crisissituatie.
Je kan meer lezen over verdriet en
rouw in:
Het Klassedossier op
www.klasse.be/dossier/verdriet
HelpVerdriet
Bekijk het filmpje over dit
thema:
De lege bank in de klas.
Het
is nooit zo stil geweest in 5a. Je hoort de
kaars branden op Vinciannes bank.Vincianne
is er niet. 'Meisje van tien verongelukt in
dubbele aanrijding',blokletterde de
plaatselijke krant. Spontaan vormt zich een
kring rond de lege bank in de klas. Haar
klasgenoten proberen met hun verdriet te
leven. Meester Homer en Laurence Samyn,
Vinciannes moeder ook.
MEESTER HOMER: «HET IS NIET GEDAAN MET
DE BEGRAFENIS»
«Toen we het nieuws vertelden, verliep
het heel vreemd. Soms huilden kinderen
hartverscheurend en hield één van de mama's
hen alleen maar vast, zonder iets te zeggen.
Plots was het doodstil, dan weer werd er
verteld, gelachen zelfs om een leuke
herinnering. Later zijn we naar het park
gegaan. Daar reageerde iedereen zich op zijn
manier af: soms hollen en schreeuwen, dan
weer doodstil staan of hardop huilen. Het
mocht. De week nadien hebben we getekend,
gepraat, geschreven. Ik had een map met
gedichten rond de dood en die was de rode
draad door de week.» «Het ongeluk gebeurde
's avonds laat. De volgende avond stond
Vinciannes leerkracht hier samen met de
directeur. Konden zij iets voor mij doen?
Zij hebben samen met de kinderen van de klas
de begrafenis helemaal voorbereid en alles
met mij besproken. En ze hebben het prachtig
gedaan.
Ik vroeg me af wat er door al die
kinderhoofden heenging. De eerste dagen na
het ongeluk kreeg ik veel telefoontjes van
ouders van klasgenoten van Vincianne. Mensen
die ik nauwelijks kende. Toen vond ik dat
lastig, maar uiteindelijk werd het een
steun. Nu kan ik met hen over Vincianne
praten als ik daar behoefte aan heb. Ik denk
dat ze veel hebben geleerd van hun kinderen
en van de manier waarop de school met haar
dood is omgesprongen.
Ik bewonder meester Homer, want die heeft
tegelijk met zijn klas het schooljaar moeten
afwerken en al die kinderen met hun verdriet
moeten opvangen. Makkelijk kan dat niet
geweest zijn. Het doet mij en mijn andere
kinderen goed dat Vincianne niet vergeten
wordt. Haar foto hangt in de hal van de
school en daar zijn we fier op. En geregeld
vind ik op het graf van Vincianne een
knuffel of een zelfgeplukt boeket. Ik werd
ook de rest van het schooljaar op alle
activiteiten uitgenodigd. Op de laatste
ouderavond ben ik haar spullen gaan
ophalen.Haar turnpak, haar knutselwerkjes.
Die hadden daar de hele tijd gelegen, op
haar vaste plek in de klas, samen met haar
foto. En de meester heeft lang met mij
gepraat. Over Vincianne. Het doet me deugd
over mijn dochter te praten. Ik heb dat
nodig. Maar ik weet dat sommige mensen er
liever niet aan herinnerd worden. Er zijn er
die zeggen: 'Je hebt toch nog drie
kinderen.'
Dat doet me pijn. Ik heb vier kinderen,
en dat zal altijd zo blijven.»
«Tranen voor een knuffel»
Een knuffel gaat verloren, op het
einde van het schooljaar neem je
afscheid van die superjuf, een
klasgenootje verongelukt Verdriet
maakt deel uit van het leven van
elke dag, net zoals angst, woede of
vreugde. Maar het verdriet van een
kind dat zijn eerste liefje in de
lagere school verliest, is
natuurlijk van een andere
intensiteit dan als opa sterft. Als
je iemand (of iets) kwijtraakt die
je dierbaar is, spreken we van
rouw. Dat kan dus ook bij een
scheiding of verhuizing. Rouwen
gebeurt niet vanzelf. Verdriet gaat
niet vanzelf over. Wie iemand of
iets verliest, moet vier rouwtaken
doorlopen om dat verlies echt te
verwerken.
Taak 1: het verlies onder ogen
zien
Kinderen die rouwen hebben, net
zoals volwassenen, nood aan
aandacht, liefde en veiligheid. In
zo'n klimaat durven ze hun verlies
onder ogen zien. Soms lijkt een kind
op het eerste moment vooral bezorgd
om zijn eigen gemak («Wie brengt me
nu naar de muziekschool?»). Het
lijkt alsof het gevoelloos is, maar
eigenlijk stelt het zijn rouwen uit
tot het zich veilig genoeg voelt.
Taak 2: de pijn van het
verlies ervaren
Als we verdriet verdrukken («Huil
nu maar niet meer»), komt dat later
terug, in de vorm van hoofdpijn of
slaapproblemen bijvoorbeeld. Of een
kind wordt plotseling agressief of
zijn schoolresultaten gaan fel
achteruit. Dat kunnen tekenen zijn
van slecht verwerkt verdriet.
Taak 3: leren leven
zonder
We moeten de draad van het
dagelijkse leven weer oppikken. We
leven met de goede en de slechte
herinneringen.
Taak 4: nieuwe banden
smeden
We durven niet meer lachen, ons
niet meer binden nadat iemand is
doodgegaan. We denken dat we anders
ongevoelig zijn. Een kind moet
ervaren dat er na een tijd ruimte is
voor nieuwe banden.
Als de rouw ten einde is,
betekent dat niet dat we de dode
vergeten. Iets van het verdriet gaat
een heel verder leven mee. Maar we
gaan ons op de duur wel opnieuw goed
voelen. We kunnen opnieuw afrekenen
met de problemen van alledag.
Groot en klein verdriet: 7
tips
Kinderen worstelen op twee
niveaus met de dood: ze proberen te
begrijpen wat de dood precies
betekent («Heeft hij het koud?») én
ze proberen om te gaan met hun
gevoelens. Hoe kan u hen als ouder
steunen?
6 Praat ik thuis over
gevoelens? Wie thuis een sfeer
schept waar kinderen terechtkunnen
met àl hun gevoelens (blij, bang,
boos, kleine verdrietjes), zorgt
ervoor dat ze ook groot verdriet
makkelijker kunnen verwerken.
6 Praat ik over de dood?
Een dode vogel in het park, bloemen
die verwelken Er zijn veel
aanleidingen om het er met een kind
over te hebben. Dan weet uw kind: de
dood hoort bij het leven.
6 Toon ik mijn eigen gevoelens
(verdriet, boosheid, angst)? Uw
kind spiegelt zich aan u. Wat u
doet, is 'normaal'. Wees dus niet
bang om te wenen waar uw kind bij
is.
6 Antwoord ik op alle vragen?
Een antwoord kan ook zijn: «Ik weet
het niet» of «Ik heb het erg
moeilijk». Vertel geen leugens. Zeg
uw kind dat u altijd samen wil
praten over de overledene.
6 Luister ik naar de gevoelens
achter de vragen? Of zeg ik mijn
kind 'dat het maar flink moet zijn'?
Spreek ik niet alleen over de
feiten? Heb ik ook aandacht voor het
verdriet van mijn kind of voor
mogelijke andere gevoelens (zich
schuldig voelen, kwaad zijn op de
overledene omdat die hen 'in de
steek heeft gelaten')?
6 Geef ik de kans om afscheid
te nemen? Wie een overleden
huisdier meteen vervangt, geeft het
kind geen kans om erover te rouwen.
Stel uw kind bij elk verlies vragen
en luister naar wat het nodig heeft.
Het kan een tekening maken, een
brief schrijven, meegaan naar de
begrafenis Spreek erover, maar
forceer niets.
6 Hou ik de herinnering in
stand? Doe niet alles weg wat
aan het verdriet herinnert. Een foto
in huis is een gelegenheid om erover
te praten. Het is ook een teken dat
wie weg is, niet vergeten is.
GEDEELD VERDRIET
Kinderen helpen met hun verdriet
is niet altijd makkelijk. Vooral als
je als ouder zelf door verdriet
verteerd wordt. De leerkracht van uw
kind kan ongetwijfeld helpen. Aarzel
niet om hem of haar op de hoogte te
brengen en zijn of haar hulp in te
roepen. Deze maand lezen de
leerkrachten in hun Klasse hoe ze
kinderen met verdriet en rouw kunnen
leren omgaan. Gedeeld verdriet
Wie meer wil lezen over verdriet
en rouw kan in de bibliotheek
terecht onder het SISO-nummer 418.7.
Voor een luisterend oor kan u zeven
dagen op zeven, dag en nacht terecht
bij Tele-Onthaal op het gratis
nummer 106.
Voor uw kind is er de kinder- en
jongerentelefoon: 078-15 14 13
(elke dag van 16 tot 20 uur,
behalve op zon- en feestdagen).
|
|
Verliefdheid
Verliefd op school
«Verliefde kleuters of tieners? Ach
kom, dat zijn toch sprookjesgevoelens in een
wereld van ridders op witte paarden en
slapende prinsessen», zegt Birgit (33). «Je
kan die gevoelens toch niet ernstig nemen?»
Alicia, Quinten, Elien en Wladimir leven
niet in zo'n sprookjeswereld. Ze zitten in
de klas en zijn verliefd «Als ik raad wil
van mijn ouders, zal ik er wel om vragen»,
zegt Wladimir (10). Hoe fladderen de
vlinders op Valentijn?
Alicia Portilla (13): «Ouders moeten
niet boos kijken»
Verliefd? «Een jongetje in de
tweede kleuterklas deed alles voor mij. Zijn
naam weet ik niet meer. Hij had groene ogen
en ik voelde me blij en vrolijk. Ik was
verliefd en vond dat heel spannend.»
Vlinders? «Ik herinner me vooral
dat ik me veilig en geborgen voelde bij hem.
Hij zorgde goed voor mij. We verstonden
elkaar met een knik en een blik. Nu heb ik
geen vaste vriend. Ik denk dat me dat ooit
nog wel eens zal overkomen. Ik zit er niet
op te wachten. Wat komt, komt.»
Ouders? «Mijn mama was ook blij.
Ze vond zo'n twee verliefde kleuters
waarschijnlijk heel schattig. Ik hoop dat ze
me vertrouwt als ik nog eens verliefd ben.
Ouders moeten kinderen ruimte geven en dat
is zeker zo als ze verliefd zijn. Als
verliefde kinderen samen willen zijn tijdens
een wandelingetje of alleen op hun kamer
moeten ouders niet boos kijken. Het is leuk
als je voelt dat er vertrouwen en vrijheid
is in huis. Ik wil enkel raad krijgen als ik
er om vraag.»
Quinten Scheutijzer (4): «Ik geef Astrid
elke dag een kus»
Verliefd? «Ik ben op Astrid (4).
We zijn verliefd geworden toen de juf vorig
jaar een verhaal vertelde over trouwen. We
mochten ons toen verkleden in de klas. Ik
was bruidegom en Astrid mijn bruid. Astrid
is mijn vriendin. Zij is lief en mooier dan
de andere meisjes van mijn klas. Ik weet
zelfs waar ze woont.»
Vlinders? «Zij is ook op mij. Ik
ga trouwen met Astrid dan kan ik haar veel
kussen en met haar naar het park en de zee.
We spelen veel samen. Ik geef haar elke dag
een kus. Ik heb nog geen tekening voor haar
gemaakt.»
Ouders? «Iedereen weet dat ik op
Astrid ben. Mijn mama geeft mij een kus als
ik over Astrid vertel. Leuk.»
Elien Verlinden (9): «Ik let op wat ik
vertel»
Verliefd? «Thijs (9) ken ik al
vanaf het eerste leerjaar. We hebben altijd
in dezelfde klas gezeten. We zijn een
koppeltje vanaf het derde. We lopen hand in
hand en kruipen dicht tegen elkaar aan. Op
de speelplaats speelt Thijs met de jongens
en ik met mijn vriendinnen. Bij kattekekus
zoen ik Thijs soms op de mond. De andere
jongens krijgen een kus op hun wang.»
Vlinders? «Samen zijn is spannend
en rustig tegelijk. We zorgen voor elkaar
het hele schooljaar lang. Als ik ruzie heb
met een vriendin probeert Thijs ons terug
vriendinnen te maken. Na een vakantie geven
we elkaar souvenirs. De vakantie overleven
we omdat we elkaar veel briefjes vol met "Ik
mis je" schrijven. Op Valentijn geef ik
Thijs een dikke zoen.»
Ouders? «Als grote mensen verliefd
zijn kunnen ze elkaar zien waar en wanneer
ze willen. Als kinderen verliefd zijn willen
grote mensen er zich mee bemoeien, dus let
ik wel op wat ik hen vertel.
Wladimir Vanheester (10): «Pas op, geen
seks!»
Verliefd? «Het was liefde op het
eerste gezicht met Bo (9). We hebben er zes
maanden over gedaan voordat we het
aanmaakten. Dat lijkt lang maar zoiets wil
ik niet zomaar en snel doen. Ondertussen
leerde ik haar beter kennen. Onze ouders
zijn vrienden en daarom zien we elkaar
dikwijls tijdens de weekends. We zijn zelfs
al samen op vakantie geweest. Voor Bo maak
ik nu de perfecte kampen. Zij verrast me met
rode hartjes.»
Vlinders? «Ik voel me vrolijk als
ik Bo zie. Samen in de zetel naar een film
kijken is reuze. Zalig als we hand in hand
met haar hondje wandelen. Kan dat gevoel
blijven duren? Ik wil het best.»
Ouders? «Goede raad van ouders is
meestal dreigend: "Pas op hoor!" "Geen
seks!". Het zijn net zij die bij
verliefdheid direct aan seks, vrijen en lang
zoenen denken. Ouders mengen zich beter niet
met de verliefdheid van hun kind. Als ik
raad wil zal ik er wel om vragen. Bo en ik
praten genoeg met elkaar om te weten wat we
willen. Ik zal nooit iets forceren. Ik vind
dat liefde iets is van het hart en het
verstand.»
Win de liefdesgadgets op de foto's van
deze reportage. Stuur vóór 15 maart een
liefdesverhaal op van jouw kind. Klasse voor
Ouders verrast elke inzending met een hart
(in een of andere vorm). Schrijven naar:
Klasse voor Ouders (HART) - Koning Albert
II-laan 15 - 1210 Brussel -
red.ouders@klasse.be
Is mijn kind echt verliefd?
«Jonas (5) zegt dat hij met
zijn juf wil trouwen. Dat zijn toch
sprookjesgevoelens. Zet ik Jonas
niet beter met zijn gevoelens meteen
terug op de grond?» (Birgit, 33)
Eigenlijk toont Jonas dat hij
zijn juf graag heeft, dat hij zich
goed voelt op school. Lach niet met
wat Jonas zegt. Vertel dat je het
leuk vindt dat hij graag bij de juf
is. Je hoeft niet in te gaan op de
trouwplannen. Doe je dat wel, dan
stel je beter vragen over hoe hij
dat ziet («Is de juf al niet
getrouwd?», «Heeft de juf al geen
'dikke vriend?'»). Ondermijn dus
niet de trouwplannen met al je
realiteit.
«Tanja (10) is verliefd op
Maarten (10). Ik zeg altijd dat dat
op die leeftijd geen echte gevoelens
kunnen zijn. Hoe praat ik daarover?»
(Bert, 43)
Lach de gevoelens van je kind
zeker niet weg («Verliefd? Jij weet
nog niet wat dat is.»). Anders maak
je je kind eenzaam en ervaart het
dat het zijn gevoelens en twijfels
thuis beter niet toont. Gebruik zelf
niet als eerste het woord
'verliefd'. Dat maakt voor je kind
het verhaal te geladen. Zorg voor
een open sfeer thuis. Forceer geen
gesprek. Wil je er echt wél over
praten, kies dan een rustig moment
en vertel je kind waar jij mee zit
en vertel wat je denkt en voelt.
Praat erover met je partner en zeg
dat ook aan je kind. Het is een kans
om te vertellen over jouw relatie.
Je kind kan daar wat van opsteken.
«Patrick (12) heeft een liefje
en spreekt over 'mijn poepeke'. Ik
vind dat woord zo erg, je noemt je
liefje toch geen 'poepeke'.»
(Sandra, 40)
Verliefd zijn is voor je kind
nieuw. De taal die het gebruikt om
dat allemaal te verwoorden moet je
kind al doende ontwikkelen. Geef hem
de kans zijn eigen woorden te
gebruiken. Hij zal die oppikken uit
de media of zijn omgeving. Gebruik
dus zelf de juiste woorden.
«Carolien (9) was altijd op
Jeroen. Gisteren zag ze Jeroen
omgaan met Katrien. Gevolg: tranen
met tuiten. Moet ik Carolien hard
maken en vertellen 'dat dit bij het
leven hoort'?» (An, 36)
Neem de gevoelens van je kind
ernstig. Ze kan echt ongelukkig zijn
als ze zich afgewezen voelt door een
beste vriend(in). Laat je kind
erover vertellen en wees samen
droef. Maar plaats het verdriet in
een juiste context. Zo maak je
duidelijk dat het probleem niet op
het hele leven slaat. Geef je kind
tips om de 'gebroken relatie' te
bespreken met het 'ex-liefje' en
overloop samen wat de mogelijke
reacties van de andere kunnen zijn.
Klasse werkte voor deze tips
samen met Lieve
Vandemeulebroecke - hoogleraar
aan het Centrum voor
Gezinspedagogiek van de KULeuven.
Verliefd zijn. Leer je dat op
school?
Verliefd zijn leer je niet. Het
overkomt je. Maar elke school moet
haar leerlingen wel leren omgaan met
gevoelens (blij, bang, verdrietig),
respect hebben voor elkaar, opkomen
voor de eigen mening, zich inleven
in de gevoelens van iemand anders.
Dat leren kinderen op school via de
vakoverschrijdende eindtermen. Leren
is meer dan rekenen, taal en WO
alleen. Ouders kunnen dat thuis
ondersteunen. Meer over de
eindtermen lees je op
www.ond.vlaanderen.be/dvo
«Jonas (5) zegt dat hij met zijn juf
wil trouwen. Dat zijn toch
sprookjesgevoelens. Zet ik Jonas
niet beter met zijn gevoelens meteen
terug op de grond?»
|
|
De juffen
en meesters...
Juf
Arends is streng. Orde en
stiptheid vindt ze het belangrijkst. Ze wil
dat het stil is in de klas. Ze geeft niet
snel goede cijfers. Je kind vindt haar
toetsen moeilijk. Toch wil het liever geen
vragen stellen aan haar. Misschien is je
kind bang voor haar reactie?
Hoe goed past dit typetje bij de
leraar van je kind?
Tips: Juf Arends heeft niet
graag dat je je bemoeit. Stel duidelijke
vragen op basis van feiten. Laat zien dat je
haar waardeert als partner bij de opvoeding
van je kind. Als er problemen zijn, vraag
dan hoe het komt. Vraag wat ze van je kind
verwacht en hoe jij daarbij kan helpen.
Meester
De Leeuw is een echte leider.
Hij is enthousiast en heeft de touwtjes
stevig in handen. De regels zijn duidelijk.
Je kind mag niet vaak mee beslissen. Toch
gaat het met plezier naar zijn les en leert
er veel bij.
Hoe goed past dit typetje bij de leraar
van je kind?
Tips: Meester De Leeuw
bepaalt graag waarover het gesprek gaat. Hij
praat en jij luistert. Je loopt dus het
gevaar dat je met jouw vragen blijft zitten.
Bedenk vooraf waar je over wil praten.
Schrijf je vragen op en hou ze bij je. Vraag
bij het begin van het gesprek om de
onderwerpen te overlopen. Werk ze stap voor
stap af.
Meester
De Hond probeert je kind
altijd te helpen. Hij is ‘een losse’ en
heeft niet veel regels nodig. Hij werkt aan
een prettige sfeer in de klas. Je kind mag
grapjes maken. Het vertrouwt de meester en
kan met hem praten.
Hoe goed past dit typetje bij de
leraar van je kind?
Tips: Meester De Hond gaat
vlot mee in het gesprek. Hij vertelt veel.
Zorg dat je niet afwijkt van het onderwerp:
jouw kind. Vraag om duidelijke informatie,
duidelijk advies, duidelijke afspraken.
Meester De Hond geeft die graag.
Juf
Beerse staat altijd klaar voor
je kind. Ze luistert, is geduldig, maakt
geen ruzie en doet water bij haar wijn. Je
kind voelt zich begrepen, gaat graag naar
haar les en werkt goed mee.
Hoe goed past dit typetje bij de leraar
van je kind?
Tips: Juf Beerse luistert
naar jouw verhaal. Maar zegt ze zelf genoeg?
Krijg je genoeg antwoorden? Stel open
vragen: welke problemen ziet zij, wat gaat
goed, hoe is je kind in de klas…? Overloop
op het einde van het gesprek de gemaakte
afspraken.
Juf
De Cat geeft de kinderen veel
vrijheid. Ze krijgen snel hun zin. Deze juf
is snel tevreden en vindt rumoer in de klas
niet erg. Ze houdt rekening met het tempo
van je kind. Je kind mag mee beslissen en is
daardoor gemotiveerd.
Hoe goed past dit typetje bij de leraar van
je kind?
Tips: Juf De Cat laat het
gesprek aan jou over. Stel vragen waar ze ja
of nee op moet antwoorden: gedraagt mijn
kind zich goed, voelt hij zich goed, heeft
hij geen problemen met...? Zeg wat je
verlangt en vraag hoe ze jou kan helpen.
Laat aan juf De Cat vooraf weten waarover je
wil praten.
Juf
Gierens is ontevreden. Ze
dreigt vaak met straf maar voert ze niet
uit. Kinderen krijgen veel kritiek en kunnen
weinig goed doen. Ze vertrouwt haar
leerlingen niet en dat geldt ook omgekeerd.
Hoe goed past dit typetje bij de leraar
van je kind?
Tips: Juf Gierens is bang
voor verwijten. Ze verdedigt zich fel.
Spreek dus niet over haar. Spreek over
jezelf, je kind, een situatie. Praat eerst
over wat goed gaat. Stel goed afgelijnde
vragen: wat gebeurt er precies, hoe reageert
mijn kind...?
Meester
Van Muizen is onzeker. Hij
weet niet goed hoe je kinderen aanpakt. Hij
wacht af en ziet wel wat er gebeurt. De
lessen zijn ongestructureerd en de kinderen
doen maar wat. Je kind vindt hem aardig maar
plaagt hem.
Hoe goed past dit typetje bij de leraar
van je kind?
Tips: Meester Van Muizen is
zenuwachtig voor dit gesprek. Bereid je goed
voor, weet waarover je wil praten. Stel deze
meester eerst op zijn gemak. Spreek niet
over gevoelens. Zoek samen naar manieren om
met je kind om te gaan. Zeg wat thuis werkt.
Meester
De Bok is ‘een kwaaie’. Hij
wordt snel boos, verbiedt veel, maakt
regelmatig ruzie. Complimentjes geeft hij
niet. Je kind is bang om fouten te maken
want dan krijgt hij kwetsende opmerkingen.
Hoe goed past dit typetje bij de leraar
van je kind?
Tips: Meester De Bok voelt
zich snel aangevallen. Spreek over wat jij
bij je kind ziet. Stel aan deze meester
vragen vanuit je kind: hoe voelt je kind
zich, wat is een oplossing voor hem, waarom
werkt die aanpak...? Blijf rustig en
vriendelijk.
|
|
|