Gevoeligheden

De Axenroos.
Eindtermen

Uitgangspunten
Fimpjes voor leraar en ouder

Yeti
Pesten

KiesKleurTegenPesten
Pestweb
Verdriet en rouw
Verliefd, verloofd, getrouwd
Welke leerkracht ben je?

Scheiden is leiden/lijden

Vraag het aan Jos
 

1 Sociale vaardigheden - domein relatiewijzen

1.1   De leerlingen kunnen zich op een assertieve wijze voorstellen.
1.2   De leerlingen kunnen in omgang met anderen respect en waardering opbrengen.
1.3   De leerlingen kunnen zorg opbrengen voor iets of iemand anders.
1.4   De leerlingen kunnen hulp vragen en zich laten helpen.
1.5   De leerlingen kunnen bij groepstaken leiding geven en onder leiding van een medeleerling meewerken.
1.6   De leerlingen kunnen kritisch zijn en een eigen mening formuleren.
1.7   De leerlingen kunnen zich weerbaar opstellen naar leeftijdgenoten en volwassenen toe door signalen te geven die voor anderen begrijpelijk en aanvaardbaar zijn.
1.8   De leerlingen kunnen zich discreet opstellen.
1.9   De leerlingen kunnen ongelijk of onmacht toegeven, kritiek beluisteren en eruit leren.


2 Sociale vaardigheden - domein gespreksconventies

2.   De leerlingen kunnen in functionele situaties een aantal verbale en niet-verbale gespreksconventies naleven.


3 Sociale vaardigheden - domein samenwerking

3.   De leerlingen kunnen samenwerken met anderen, zonder onderscheid van sociale achtergrond, geslacht of etnische origine.

 

 

Lager Onderwijs: Uitgangspunten sociale vaardigheden

1 Kerngedachten

Sociale vaardigheden zijn alle gedragingen die men in onze cultuur ter beschikking moet hebben om op een efficiënte en opbouwende wijze deel te nemen aan het sociale leven, zowel op maatschappelijk als op interpersoonlijk en familiaal vlak. Moeilijkheden op persoonlijk of maatschappelijk vlak gaan vaak samen met een te beperkte sociale bagage om in verschillende situaties op een bevredigende wijze te functioneren.

 Het onderwijs kan een bijdrage leveren aan de ontwikkeling en ondersteuning van het sociaal functioneren van jonge kinderen. Dat is het uitgangspunt van de eindtermen sociale vaardigheden. Sociaal functioneren veronderstelt een aantal inzichten, vaardigheden en attitudes die kinderen gaandeweg verwerven. Dat doen ze in belangrijke mate op basis van hun ervaringen thuis, in de familie, de buurt, de leeftijdsgroep waar ze deel van uit maken. Maar een belangrijke rol spelen ook de ervaringen die ze opdoen in de klas en in de ruimere context van de school.

 Juist bij jonge kinderen is de bijdrage van het onderwijs aan het sociaal functioneren van groot belang. In het kleuteronderwijs wordt een basis gelegd waarop het lager onderwijs verder bouwt. De eindtermen van het secundair onderwijs bouwen op hun beurt verder op die van het lager onderwijs. Zo is er doorstroming, herhaling en verdieping.

 De beschreven eindtermen houden op zich geen keuze in van het mens- en maatschappijbeeld van waaruit sociale vaardigheden het best worden aangewend. Ze werden los van inhouden geformuleerd, zodat de school ze in het eigen opvoedingsproject kan integreren. Ze steunen vooral op de sociaal-psychologische wetmatigheden die spelen tussen mensen binnen relaties, groepen, organisaties en maatschappelijke situaties. Door de eindtermen in te oefenen zullen kinderen beter in staat zijn om een goed verlopende sociale interactie te starten, te ontwikkelen en tot een bevredigend einde te brengen. Naargelang van ieders eigen cultuur en levensbeschouwing, persoonlijke voorkeuren, overwegingen van haalbaarheid of de eisen van concrete situaties kunnen daarin andere accenten worden gelegd.

 2 Domeinen

 De geformuleerde eindtermen slaan op de sociale vaardigheden die in de praktijk tot uiting komen wanneer de situatie daar om vraagt. Afhankelijk van de situatie handelen kinderen op eigen initiatief of als reactie op die situatie. Binnen de schoolsituatie zal het sociale gedrag van de leerling mee bepaald worden door de ruimte die het hele schoolteam ervoor creëert. Sociale vaardigheden komen met andere woorden niet enkel tot uiting bij het onderwijzen van leerinhouden in de klas, maar vinden ook een ruimer toepassingsgebied in het totale schoolse gebeuren.

 Bij de concretisering van de eindtermen wordt aandacht gevraagd voor drie specifieke domeinen van het sociaal functioneren, namelijk relatiewijzen, gespreksconventies en samenwerking. De keuze voor deze domeinen vindt haar verantwoording in de gedachte dat men binnen een schoolse context aan deze aspecten kan werken. De domeinen staan in wisselwerking met elkaar. Zo is het belangrijk te weten dat gespreksconventies beheersen een van de middelen is bij het hanteren van de relatiewijzen. Leren samenwerken, creëert dan weer situaties waarin de relatiewijzen en gespreksconventies functioneren.

 Relatiewijzen

 Welke relatiewijze als bekwaamheid al aanwezig is, hangt grotendeels af van de sociale en familiale context van de kinderen. Toch zouden ze allemaal moeten kunnen beschikken over een voldoende ruim gamma van relatiewijzen. Dat moet ook, willen zij zich zowel binnen als buiten de school als een sociaal vaardig persoon kunnen gedragen.

Maar daar hangt wel een voorwaarde aan vast. Zo moet een kind op zijn niveau verschillende sociale situaties goed kunnen inschatten. Voorts moet het zijn gedrag ook kunnen aanpassen aan de situatie. Natuurlijk liggen bepaalde relatiestijlen de ene persoon beter dan de andere. Iedereen heeft recht op een eigen stijl en persoonlijkheid. Toch moet dit individueel recht worden gerelativeerd door het recht van de andere die men ontmoet. De kinderen moeten de sociale vaardigheden oefenen die ze minder goed in de vingers hebben. Het is hierbij van belang dat kinderen zich bewust zijn van de verscheidenheid van omgangswijzen. Ze moeten ook weten dat een relatiewijze niet eenzijdig wordt gehanteerd. Slechts op die manier zullen kinderen in hun omgang met anderen een voldoende ruim gamma van relatiewijzen kunnen aanwenden.

Gespreksconventies

 In gesprek kunnen treden met anderen en dit gesprek op een bevredigende wijze onderhouden en afsluiten, is een onmisbare sociale vaardigheid. Ook in de basisschool moeten kinderen kansen krijgen om zich te bekwamen in het communiceren met andere kinderen, met de leerkrachten en directie, met andere volwassenen, ... Belangrijk is wel dat binnen de klas en de school hiervoor het vereiste klimaat wordt gecreëerd.

Samenwerking

 Kunnen deelnemen aan vormen van samenwerking is een specifieke vaardigheid die men, net als de vorige twee, kan leren en oefenen. Bovendien biedt kunnen samenwerken met anderen een onvervangbare kans om van anderen te leren. Dit geldt zowel voor samenwerken met twee als voor samenwerken in een taakgroep of naar aanleiding van een groepsdiscussie.

 

Pesten

«Respectvol omgaan met kinderen kan ook kinderen helpen om met leeftijdgenoten respectvol om te gaan en ook om ten volle te begrijpen dat volwassenen gerespecteerd moeten worden. Het geweldloos socialiseren van kinderen vandaag kan een belangrijke bijdrage betekenen aan de geweldloze samenleving van morgen.»
(Eindrapport van de Nationale Commissie tegen seksuele uitbuiting van kinderen, 1997, p.12)

Eén pestkop in elke klas

Eén op vier leerlingen in het basisonderwijs is het slachtoffer van pesterijen. In het secundair is dat nog 15 procent. Vooral kinderen tussen negen en veertien jaar pesten er duchtig op los. Na de leeftijd van vijftien jaar blijven alleen nog de extreme gevallen doorgaan: jongens en meisjes met meestal ook andere problemen. Onderzoek toont aan dat 40 procent van de slachtoffers nooit hulp krijgt.

 

Luc, leraar:
«Ik had het niet gezien»

«De stoere en slimme jongens van de klas waren de pestkoppen. En enkele meelopers. Ik had het niet gezien. Ze pesten vooral op momenten dat er geen toezicht is. Steven wou alles zelf oplossen: duwen, trekken, terugslaan. Maar dat lukte niet. Hij werd stiller in de klas en banger. Ik merkte dat niet. Je kan Steven niet echt een typisch slachtoffer noemen. Maar ze hadden hem als doelwit gekozen. Waarom? Daarom, meer niet. Tot een kleine groep van de klas vond dat het zo niet meer kon. Ze kwamen me alles vertellen. Ik heb heel nauwkeurig toezicht gedaan. Tot ik ze kon betrappen. Dan ben ik met de klas gaan praten. Hoe zou jij je voelen als pestkop, als gepeste? Het was niet in één keer opgelost, natuurlijk. Zo'n situatie is meestal al te ver misgroeid om in één twee drie op te lossen. Maar het was een begin. Nu heb ik een klassenraad met verkozenen uit de klas. Zo blijf ik o.a. beter op de hoogte van wat er zich in mijn klas afspeelt en moet niemand zich ooit de klikspaan voelen.»

het probleem

wat?

Berekend pijn doen

Pesten gebeurt berekend. De pestkop wil pijn doen, vernielen, kwetsen. Iemand laten merken dat hij waardeloos is. Dat gebeurt telkens opnieuw. Bijna altijd staat een individu alleen tegenover een groep. De pestkoppen zijn meestal dezelfden, de slachtoffers ook

waar en wanneer?

Overal, maar niets gezien

Pesten komt vooral voor op momenten dat de klasgroep ontsnapt aan het toezicht van volwassenen: tijdens de speeltijd, in de kleedkamers van het zwembad, op uitstappen, tussen twee lesuren

 

hoe?

Schelden, schoppen, stelen en negeren

- Verbaal: spotten, uitschelden, afdreigen, roddelen, leugens verspreiden, vernederen Woorden laten geen bewijzen na en zijn makkelijk te gebruiken.

- Lichamelijk: slaan, schoppen, vechten, krabben

- Bezittingen stelen of vernielen: bril doen verdwijnen, met de boekentas gooien, sportzak verbergen

- Uitsluiten en negeren: meisjes doen dit dubbel zo vaak als jongens, jongens verkiezen veeleer de directe confrontatie.

wie?

Slachtoffers, pestkoppen en de anderen

Zowat de helft van de pesterijen gebeurt in de eigen klasgroep. Er is zelden één pester en één slachtoffer. Meestal gaat het om een groepje pesters met één of meer leidersfiguren tegen één of meer slachtoffers. De buitenstaanders merken de pesterijen wel op. Sommigen gaan supporteren, meelopen. Anderen vinden ze vervelend, maar durven niet reageren of tussenkomen. Ze zijn bang dat ze zelf slachtoffer worden.

 

Mogelijke signalen van een gepeste leerling:

  • isoleert zich van de anderen, soms met één vriend(in)
  • is vaak betrokken bij samenscholingen of opstootjes in de klas of op de speelplaats
  • is vaker afwezig, gaat niet graag naar school
  • zoekt de veiligheid van de leerkracht op
  • heeft psycho-somatische klachten (hoofdpijn, buikpijn)
  • zijn schoolresultaten gaan plots achteruit
  • wordt dikwijls als laatste gekozen bij het indelen van groepjes (sportles, groepswerk)

Naast passieve slachtoffers zijn er ook de provocerende slachtoffers. Zij vertonen vaak agressief gedrag of afwijkend sociaal gedrag (gaan vleien, klikken, afkopen) waardoor ze irritatie en spanning in hun omgeving oproepen.

Een afwijkend uiterlijk kenmerk (huidskleur, gestalte, gewicht, kledij) is op zich niet de oorzaak van de pesterijen, eventueel wel de aanleiding. Het maakt de afwijzing concreet en kanaliseert de opgebouwde spanning.

 

Mogelijke signalen van een pestkop:

  • doet stoer en wil imponeren
  • is vaak fysiek sterker dan het slachtoffer
  • wil overheersen en zichzelf bewijzen, ten koste van alles
  • is impulsief en reageert agressief bij tegenwerking
  • heeft een groot idee van zichzelf
  • omringt zich met meelopers die zorgen voor zijn aanzien
  • is eerder gevreesd dan geliefd in de groep

 

gevolgen?

Schuld en boete

  • Vaak leggen de slachtoffers de oorzaak van het pesten bij zichzelf. Ze voelen zich schuldig voor het verdriet dat ze zichzelf en hun ouders aandoen.
  • - Sommige slachtoffers reageren agressief en gaan verbitterd anderen pesten.
  • - De sfeer in de klasgroep is bedrukt en onveilig. De leerlingen wantrouwen elkaar.
  • - Leerkrachten komen niet graag meer voor de klas, ze reageren korter en gebruiken minder groepsgerichte werkvormen zodat de spanning zich onderhuids weer ophoopt.
  • - Onderzoek heeft uitgewezen dat hardnekkige pestkoppen meer kans hebben om later in de criminaliteit verzeild te geraken.

de aanpak

op individueel niveau

Het slachtoffer:

  • Neem zijn verhaal ernstig, ga na wat er gebeurt, vang hem op met ondersteunende gesprekken. De leerling moet voelen dat hij wordt geloofd. Geef nooit de indruk dat de oplossing nu nabij is.
  • Ga in op zijn positieve kenmerken of op positieve reacties van de groep. Ze kunnen het zelfbeeld van het slachtoffer ondersteunen.
  • Bespreek de concrete pestsituaties en bespreek alternatieve reactiewijzen («Wat had je kunnen doen? Hoe zou je in het vervolg kunnen reageren?»)
  • Ga op zoek naar de reden waarom hij wordt gepest (is vlug geraakt, laat zich makkelijk doen, reageert verkeerd) Soms zal het slachtoffer extra begeleiding nodig hebben (leren opkomen voor zichzelf, sociale vaardigheidstraining). Probeer het probleem dan niet alleen op te lossen. Zoek hulp bij het PMS.

De pestkop:

  • Spits je toe op zijn negatief of ongewenst gedrag, niet op zijn persoon. Kwets of kleineer hem niet. Hoe beter de band is tussen jou en de pestkop, hoe meer kans op resultaat.
  • Laat nooit blijken dat iemand iets is komen vertellen. Je hebt het pesten zelf gemerkt.
  • Maak samen afspraken («Wat doe je om het goed te maken?», «Wat als het nog eens gebeurt?» «Hoe ga je erop letten?»).
  • Ga op zoek naar de reden waarom hij pest (mogelijke conflicten, op zoek naar aandacht, aanzien willen). Soms is verdere begeleiding (karakterproblemen, zelfcontrole) nodig. Zoek dat uit met het CLB.

De ouders:

  • Ouders van pestende of gepeste kinderen voelen zich verveeld of beschaamd om het probleem bekend te maken. Een vertrouwenspersoon op school kan die drempel verlagen.
  • Het nieuws kan bij de ouders van de pestkop hard aankomen, als een beschuldiging. De pestkop kan thuis immers voorbeeldig en rustig zijn. Vertel uitvoerig wat op school gebeurt. Stimuleer de ouders om met hun kind het probleem te bespreken. En niet meteen te bestraffen.
  • Ouders van de gepeste willen het potje vaak gedekt houden omdat ze bang zijn dat hun kind nog meer het slachtoffer wordt. Overtuig hen dat er oplossingen zijn. Help ze met hun kind zoeken naar de oorzaak van het pesten en naar alternatieve reacties op concrete pestsituaties (rustige, humoristische reacties). Ouders kunnen hun kinderen ook stimuleren om naar de jeugdbeweging, hobbyclub of academie te gaan, milieus waar ze misschien niet worden gepest. Zo winnen de kinderen aan zelfvertrouwen.
  • Ouders van kinderen die niet rechtstreeks met een pestgeval te maken hebben, kunnen de rol van hun kind bespreken. Luisteren naar de pestverhalen van hun kind, ze bespreken met de leerkrachten en andere ouders, duidelijk maken waar de grenzen liggen.

op klasniveau De andere leerlingen:

  • Ga klasgesprekken niet uit de weg. Bespreek het verschil tussen plagen, ruzie maken en pesten. Kies als leerkracht nooit de zijde van de meelopers om zo je gezag en populariteit te verzekeren.
  • Meestal beseffen de meelopers wel dat wat gebeurt, fout is. Laat de leerlingen zelf over oplossingen nadenken. Leer ze hoe ze in pestsituaties kunnen reageren. Als pestkoppen met hun gedragingen geen succes meer ervaren bij de meerderheid of zelfs op tegenkantingen botsen, zullen de pesterijen vaak een stille dood sterven.
  • De leerlingen die niet rechtsreeks bij het pesten betrokken zijn, kunnen het slachtoffer meer bij hun activiteiten betrekken en erop toezien dat de pestkop zijn gemaakte afspraken nakomt.

op schoolniveau De leerkrachten en opvoeders:

  • Hou collega's op de hoogte van pestgevallen, praat erover en vraag hun mening.
  • Vraag ze om uit te kijken en op pesterijen te reageren.
  • Bevorder de communicatie rond het probleem in alle geledingen van de schoolgemeenschap (ouderraad, leerlingenraad, leerkrachtenraad). Ouders, leerkrachten en leerlingen kunnen een interventieplan of pestactieplan uitwerken. Liever vóór het probleem zich voordoet dan naar aanleiding van één concreet geval, dat daardoor overdreven grote aandacht krijgt.

de preventie

de pestvrije school zes tips

  1. Leerlingen als vol bekijken, met ze praten, ze geloven, vertrouwen en verantwoordelijkheid geven, voorkomt frustraties en agressie.
  2. Zorg voor een school waar iedereen zijn plaats heeft, waar geen anonimiteit heerst en niemand aan zijn lot wordt overgelaten.
  3. Stel samenwerking boven competitie. Kanaliseer geldingsdrang naar activiteiten als discussie en sport.
  4. Werk een gedragscode uit, een soort reglement met betrekking tot pesten. Duidelijke afspraken over wat men toelaat of niet. En daar gepast en consequent op reageren. Alle leerlingen moeten de regels van bij het begin kennen. Ze moeten ook weten waar ze pesterijen kunnen signaleren. Wie ernaar streeft om (een aantal van) die regels samen met de groep op te stellen, zal minder ontgoochelingen oplopen en minder moeten sanctioneren. Zo groeien verbondenheid en verantwoordelijkheidsgevoel.
  5. Een goed uitgebouwde dialoog tussen ouders en school en tussen leerkrachten en opvoeders onderling en zorgt voor een vlugge opsporing van een probleem.
  6. Veel nevenactiviteiten en een overzichtelijke en boeiende speelplaats voorkomen verveling en (dus) pesten.

 

het pestactieplan negen stappen

  1. Sensibiliseer directie, leerkrachten, ouders en leerlingen (bv. met een vragenlijst over pesten).
  2. Stel een werkgroep samen met alle betrokkenen: directie, leerkrachten, ouders, leerlingen.
  3. Maak samen afspraken rond gezonde omgangsvormen. Wat kan, wat niet. Iedereen moet de regels kennen en ze naleven. Straffen moeten eerlijk, zinvol en rechtvaardig zijn. Ze mogen bovendien niet lang op zich laten wachten.
  4. Vertel elk kind en ouder waar hij terecht kan als er een probleem is (vertrouwenspersoon).
  5. Maak elke leerling vanaf de eerste schooldag duidelijk dat de school geen pesten duldt.
  6. Zorg voor een veilige plaats op school, een vluchtheuvel waar iemand op adem kan komen. Dat lukt enkel als een leerkracht erop toeziet dat het asielrecht niet wordt geschonden.
  7. Bespreek hoe dode momenten (speeltijden, middagpauzes) op school zinvol kunnen worden ingevuld (hobby's, muziek, sport).
  8. Zorg voor voldoende effectief toezicht (op de speelplaats, tijdens de sportlessen, de maaltijden in de eetzaal, de uitstappen).
  9. Evalueer regelmatig de activiteiten en situatie op school. Stuur het plan indien nodig bij.

Ruzie maken mag

Dat kinderen elkaar pesten, elkaar bewust pijn doen, is heel normaal. Kinderen zijn geen doetjes en daar moeten ze zelf (en anderen) mee leren omgaan. Al het geruzie verbieden om zo pesten te voorkomen werkt niet. Ruzie maken is voor kinderen en jongeren erg belangrijk. Het helpt hen om sociale vaardigheden te ontwikkelen: hoe ga je om met agressie, hoe onderhandel je, wanneer ga je te ver? Terwijl ze ruzie maken, zoeken ze hun positie in de samenleving. Zo tasten ze normen en waarden af, geven zin aan hun leven. Kinderen en jongeren worden sterk en veerkrachtig als ze het gevoel hebben zélf die zin te geven. Er moet dus een zone overblijven waarbinnen ze kunnen plagen en ruzie maken. Maar het kan niet de bedoeling zijn dat ze elkaar zwaar kwetsen. Ruzies en plagerijen maken sterk, echt pesten doet pijn.

 

Op heterdaad

 

Pesterijen zijn niet alleen moeilijk op te sporen, maar ook complex en ondoorzichtig. Als leerkrachten pestkoppen op heterdaad betrappen, moeten ze kordaat ingrijpen. Pestgedrag moet onmiddellijk worden afgekeurd, leerkrachten en leerlingen moeten erover praten en een oplossing zoeken voor de gepeste en de pestkop. Maar het is belangrijk om méér te doen dan alleen maar het brandje te blussen. De individuele aanpak van een pestprobleem moet ingebed zijn in de pestacties op klas- en schoolniveau. Hoe duidelijker de aanpak voor iedereen, hoe meer kans op succes.

Je kan meer over pesten lezen in:

Het Klassedossier op www.klasse.be/dossier/pesten

 

 

Verdriet en rouw

De school kan verdriet bij leerlingen niet wegnemen. Ze kan haar leerlingen er wel mee helpen en er leren mee omgaan. Maar hoe dan? Verdriet en rouw een plaats geven op school bijvoorbeeld

Verstopt verdriet

Eén op vier leerkrachten in het basisonderwijs verloor ooit een leerling. Twee op drie leerlingen in het secundair werden reeds geconfronteerd met de dood van een leerkracht of medeleerling. Ziekte en dood worden in onze samenleving vaak verstopt. Ook op school. Maar verdriet en rouw maken deel uit van het leven van elke dag: de hond van Jonas wordt doodgespoten, Evi verhuist of Jorens ouders gaan scheiden. Een school die een klimaat creëert waar leerlingen terecht kunnen met al hun gevoelens, ook met hun kleine verdrietjes, zorgt ervoor dat leerlingen ook groot verdriet makkelijker kunnen verwerken.

Homer, leraar:
«Haar bank is blijven staan»

«Vincianne werd 's avonds doodgereden. De volgende morgen wist ik het al voor ik naar school vertrok. Hoe moest ik dit aan mijn vijfde klas vertellen? Gelukkig waren er enkele ouders op school aanwezig die meteen bijsprongen, want alleen had ik het niet gekund. We hebben de leerlingen voorzichtig maar duidelijk het nieuws verteld. De rest van de morgen verliep heel vreemd. Soms huilden kinderen hartverscheurend en hield een van de mama's hen alleen maar vast, zonder iets te zeggen. Plots was het doodstil, dan weer werd er verteld, gelachen zelfs om een leuke herinnering. Het was een weg en weer van gevoelens en woorden. Later zijn we naar het park gegaan. Daar reageerde iedereen zich op zijn manier af: soms hollen en schreeuwen, dan weer doodstil staan of hardop huilen. Het mocht.

De rest van de week zijn alle gewone activiteiten moeten wijken voor ons verdriet. Ik had een map met gedichten en teksten rond de dood en die was de rode draad in de week. We hebben getekend, geschreven, gepraat En we hebben ook samen, niet enkel met onze klas maar met de hele school, ons deel gedaan in het afscheid en de begrafenis. Gedragen door de hele school konden we met ons verdriet overweg.

Dat verwerkingsproces heeft nog de rest van het schooljaar geduurd en is wellicht nog niet helemaal rond. Vinciannes bank is blijven staan, met haar foto en een kaars. Soms stond er plots een kind op en ging die aansteken of we vormden samen spontaan een kring rond de lege bank. Vergeten wordt Vincianne niet.»

een probleem?

Wat?

VELE VARIATIES EN GRADATIES

  • Op school komt verdriet in alle gradaties en variaties voor: een onvoldoende voor een proefwerk, «Ze pesten mij», «Mijn ouders houden niet van mij»
  • Rouw is het verdriet om iemand (of iets) die je dierbaar was en die je kwijt raakt. Bij elk verlies («Mijn lief heeft het uitgemaakt») kan er sprake zijn van een rouwproces, dus ook bij een scheiding of verhuizing.
  • Het verdriet als een kind een dode eekhoorn vindt in het bos is natuurlijk van een andere intensiteit dan als er een mens sterft met wie de leerling een emotionele band heeft. Soms zet een klein verlies de deur open om een groot verdriet te verwerken (uitgestelde rouw).

Hoe?

IEDEREEN ANDERS

  • Een kind rouwt gedeeltelijk anders dan een volwassene. Soms is het in eerste instantie bezorgd om zijn eigen behoeften («Wie brengt me nu naar de muziekschool?»). Soms stelt het zijn rouwen weken of maanden uit tot het zich veilig genoeg voelt om zijn verdriet te uiten. Geen van beide zijn een teken van gevoelloosheid.
  • Hoewel elke leerling volgens zijn eigen persoonlijkheid en ontwikkeling anders reageert, zijn er toch enkele fases te herkennen qua leeftijd. Vaak overlappen ze elkaar.
    • Kinderen tot drie jaar. Zij voelen duidelijk aan dat er iets mis is, maar kunnen dat niet onder woorden brengen. Sommige kinderen huilen, anderen worden heel wild, weer anderen kruipen weg in een hoekje. Ze gaan zich soms 'vreemd' gedragen.
    • Drie- en vierjarigen zijn merkelijk ontredderd. Zij hebben al een besef van verlies. Zij hebben moeite om het definitieve karakter van de dood te aanvaarden. Zij denken veeleer cyclisch: dood is een tijdelijke fase waar weer leven op volgt.
    • Vier- en vijfjarigen hebben een meer realistische voorstelling van de dood, hoewel ze die vooral met oud zijn associëren. Iets wat kinderen m.a.w. niet kan overkomen. Zij maken de verbinding met angst, duisternis en slapen.
    • Vijf-en zesjarigen denken opnieuw cyclisch. Zij kunnen hun gevoelens verbaal uiten en stellen veel vragen naar de biologische kant van het doodgaan. Ze hebben ook hun eigen duidelijke creatie van doodgaan.
    • Zeven- tot tienjarigen hebben niet enkel belangstelling voor de fysieke aspecten van de dood. Zij zijn ook bezig met wat er na de dood gebeurt.
    • Vanaf elf jaar kunnen jongeren beter abstract denken. Hun manier van omgaan met de dood gaat in de richting van die van volwassenen. De jongere gaat stilaan op zoek naar de betekenis en waarde van leven en dood.

Hoe?

ROUWEN IS WERKEN

Rouwen bestaat uit vier taken, die iedereen moet doorlopen om een verlies echt te verwerken. Sommige leerlingen rouwen niet op het moment zelf en beginnen pas later na een schijnbaar onbelangrijk incident hun verdriet te verwerken. Rouwen gebeurt niet vanzelf. Het is werken. Daarom spreken we van rouwarbeid.

Taak 1: het verlies onder ogen zien. Vaak probeert men kinderen en jongeren te beschermen voor de realiteit. Dat maakt verwerken moeilijk. Leerlingen in rouw hebben behoefte aan aandacht, liefde en veiligheid, een klimaat waarin ze hun verlies onder ogen durven te zien. Maar ze hebben ook behoefte aan duidelijkheid. Een koekje of «Huil maar niet meer» helpen niemand. Om leerlingen te steunen moeten leerkrachten en ouders vragen uitlokken en ze beantwoorden.

Taak 2: de pijn van het verlies ervaren. Ouders en opvoeders willen kinderen behoeden voor pijn. De omgeving voelt zich bovendien oncomfortabel als iemand verdriet uit en probeert het toe te dekken. Maar als leerlingen de pijn niet voelen, komt ze vaak op een later moment terug in de vorm van een psychosomatische klacht (hoofdpijn, slapeloosheid) of van afwijkend gedrag (plotse onverklaarbare agressie, slechte schoolresultaten). Wie met de dood wordt geconfronteerd, moet door de pijn heen. Alles wat dat proces onderdrukt, verlengt het. Iemand die rouwt is overigens niet de hele tijd depressief. Er zijn periodes van hevige angst en verdriet, afgewisseld met momenten dat het beter gaat. Uit die goede tijden kan men echter niet afleiden dat iemand over het verlies heen is.

Taak 3: leven zonder de overledene. Het is niet altijd makkelijk om de draad weer op te pikken. Als iemand sterft, gaat men soms de dode idealiseren. Als het rouwproces normaal verloopt, komt er stilaan weer een realistisch beeld in de plaats met goede en slechte(re) kanten.

Taak 4: zich emotioneel losmaken en opnieuw investeren in andere relaties. Sommigen denken de dode oneer aan te doen door te investeren in andere relaties. Of ze laten zich afschrikken door het feit dat ook die nieuwe relaties kunnen eindigen in afscheid en verdriet. Sommigen vinden het verlies zo pijnlijk dat ze zich nooit meer emotioneel willen binden. Zo willen leerlingen bijvoorbeeld geen vriendje meer hebben en trekken ze zich eenzaam terug. Deze vierde taak is voor velen de moeilijkste om te vervullen.

Het resultaat van geslaagde rouwarbeid is niet: vergeten. Iets van het verdriet gaat een heel verder leven mee. Maar leerlingen gaan zich wel opnieuw goed voelen. Ze kunnen opnieuw afrekenen met de problemen van alledag en worden minder in beslag genomen door het verdriet.

de aanpak

thuis en op school: aanpakken

  • Een leerling die in zijn familie met de dood wordt geconfronteerd, kan het best opgevangen worden binnen zijn gezin. Maar vaak hebben de leden van dat gezin zelf zoveel te verwerken dat zij niet openstaan voor de pijn en het verdriet van de leerlingen. Heb geduld met hen en spring bij waar nodig. Dan kan een vertrouwde leerkracht veel goedmaken. Hou echter ook rekening met je eigen verdriet.
  • Slaat de dood op school toe, dan is het van groot belang dat de school als geheel alle leerlingen opvangt, dus niet enkel de klasgenootjes van de overledene of de leerlingen van een overleden leerkracht. Neem contact op met de omliggende scholen. Ook daar kunnen vrienden en vriendinnen van de overleden leerling het moeilijk hebben.

Hoe reageren de leerlingen?

Bij het overlijden van een klasgenoot reageert een groep leerlingen vaak volgens een vast stramien:

  1. De meeste leerlingen - behalve kleuters - reageren in eerste instantie met verslagenheid. Het is dan aan de leerkracht om de stilte te doorbreken met gepaste vragen of opmerkingen, zonder echter afbreuk te doen aan het belang van die stilte.
  2. Dan sluiten ze de rangen. Dit is hun verdriet. Zo steunen zij elkaar en kunnen ze samen wenen. Heb echter oog voor het feit dat ze misschien zo vrienden van de overleden leerling buitensluiten die niet in dezelfde klas (of school) zitten. Anders komen die alleen te staan met hun verdriet.
  3. Nadat ze van de eerste schok zijn bekomen, willen leerlingen iets doen. Luister aandachtig naar hun eigen voorstellen. Die geven aan wat zij nodig hebben. Help hen op zinvolle wijze hun verdriet te uiten, maar ook medeleven te betonen aan de ouders en familieleden van de gestorven leerling. Zoek uit wat de leerlingen kunnen doen bij de begrafenis/uitvaartdienst/crematie (samen een rouwboek maken van hun tekeningen, een lied zingen of bloemen dragen). Geef hen de kans om als groep - eventueel met de hele school - de begrafenis/crematie bij te wonen. Dat is voor iedereen een belangrijke stap in het rouwproces.
  4. Verdriet vraagt tijd. Hou de herinnering van de overleden leerling levend. Verwijder zijn of haar bank niet uit de klas, hang een foto op, durf zijn naam noemen bij speciale gelegenheden op school. Dat helpt de anderen om hun verdriet verder te verwerken. Het is niet abnormaal als dat twee jaar duurt. Negen maanden na een overlijden, heeft één leerling op vijf er nog problemen mee. Verminderde leerprestaties, onhebbelijk gedrag, ongewone reacties kunnen dan nog steeds een uiting zijn van het verwerkingsproces. Heb daar begrip voor en grijp de kans aan om indirect opnieuw het onderwerp ter sprake te brengen. Verwijs echter op tijd door (naar CLB, huisarts) als de rouw problemen dreigt te geven.

Hoe GEEF je hulp?

  1. Leerlingen worstelen op twee niveaus met de dood. Intellectueel proberen ze te begrijpen wat de dood betekent en emotioneel proberen ze om te gaan met hun gevoelens. Antwoord op al hun vragen. Ze zijn soms bezig met concrete feiten («Heeft hij het koud?» «Waar is zij nu?»). Wees niet bang om te zeggen: «Ik weet het niet.»
  2. Geef begrijpelijke en echte antwoorden. Soms kunnen leerlingen niet alle details aan. Het gaat er niet om of we iets zeggen, maar hoeveel we zeggen, op welk moment en op welke manier. Men kan de uitleg doseren volgens wat ze op dat moment aankunnen. Maar ook voor de volwassene kan het te moeilijk worden. Zeg dan gerust: «Meer kan ik je nu niet vertellen want ik heb het moeilijk.» Maar beloof wel dat je er later op terugkomt. En doe dat dan ook! Een volwassene is in zijn reacties een model voor de leerlingen.
  3. Luister naar de gevoelens achter de vragen. Spreek niet alleen over de overledene maar ook over de gevoelens van de leerling.
  4. Vertel de leerlingen dat iedereen die de dode heeft gekend, het nu moeilijk heeft. Als volwassenen hun verdriet durven laten zien, voelen ze dat het een normale reactie is, die dus mag. Anders denken ze misschien dat ze overdrijven en kroppen hun gevoelens op. Of ze geloven dat de volwassenen in kwestie niets gaven om de dode.
  5. Zeg dat niet iedereen gevaar loopt om nu te sterven, dat men meestal sterft na een lang leven. Vertel echter geen leugens: iedereen gaat uiteindelijk dood, maar we weten niet wanneer.
  6. Als je anders nooit over religie praat, moet je dat nu ook niet doen. Dat schept alleen verwarring.
  7. Zeg dat verdriet lang kan duren en nooit helemaal verdwijnt. Als men iemand voorhoudt dat hij wel gauw niet meer verdrietig zal zijn, zal hij na een tijdje zijn gevoelens niet meer durven tonen.
  8. Vertel de leerling dat je altijd samen wil praten over de overledene.
  9. Maak duidelijk dat niemand ooit in staat zal zijn de plaats van de overledene volledig in te nemen. Een moeder die overleden is, zal altijd de moeder blijven van die leerling.
  10. Hou de herinnering in stand. Doe niet alles weg wat aan de dode herinnert. Praat er geregeld over.

preventie

Wat kan een school of individuele leerkracht 'preventief' doen om leerlingen te steunen bij het omgaan met verlies en rouw?

GEEF RUIMTE AAN DE DOOD

  • Creëer op school een atmosfeer waarin het niet raar of stom is om emoties (blij, bang, boos) te hebben, maar waar emoties tot het dagelijkse leven behoren.
  • Ga het onderwerp 'dood' niet uit de weg. Er doen zich geregeld gelegenheden voor om er terloops over te spreken (een dood dier in het park, verkeer, niet alleen rond één november). Zo kunnen leerlingen vragen stellen in een niet emotioneel geladen sfeer en wordt het makkelijker erover te praten als er zich echt een sterfgeval voordoet.
  • Voorzie een stille hoek in de klas of een stille ruimte in de school. Leerlingen kunnen daar naartoe als ze dat wensen. Daar worden wel dwingende afspraken over gemaakt. Wie er naartoe gaat mag niet gestoord worden door andere leerlingen. De leerkracht kan wel suggereren om te praten over de gevoelens van de leerling die zich terugtrekt.
  • Neem als school de basishouding aan: «Hoe kunnen we helpen?». Zonder bemoeizuchtig te zijn of jouw hulp te willen opdringen, kan je je steun aanbieden, zowel aan de leerlingen in kwestie als aan de betrokken ouders. Wat expliciete aandacht («Hoe gaat het met je stage?») kan een uitnodiging zijn waar de leerling al dan niet kan op ingaan.
  • Is er een ritueel in de school waar je naar kan teruggrijpen in een crisismoment? Bijvoorbeeld een kring vormen en even stil zijn. Leerlingen herkennen dat ritueel als dragend. Zij voelen zich in de groep opgenomen en gesteund, ook op moeilijke momenten. Leerlingen weten vaak heel goed welke elementen ze willen inbouwen in zo'n ritueel. Volg hen daarin in de mate van het mogelijke.
  • Geef ruimte aan de doden. Als er op school een leerling of een leerkracht is overleden, hou de herinnering levend op school. Een permanente foto bijvoorbeeld in de inkomhal, blijkt een enorme steun te zijn, zowel voor de betrokken leerlingen als voor de ouders. Het is ook een gelegenheid om over de overledene te spreken als iemand daar behoefte aan heeft en het geeft het signaal: dood is niet vergeten.

WERK AAN EEN STAPPENPLAN

Bij het overlijden van een leerling of een leerkracht komt heel wat kijken. Het is best als je er binnen het schoolteam, inclusief het CLB, vooraf over nadenkt hoe je zoiets kan aanpakken. Duidelijke afspraken bieden een steun als het ooit nodig moest blijken. Maar er moet natuurlijk ruimte zijn voor aanpassingen op het moment zelf.

Wat je moet bespreken:

  1. De eerste opvang. Wie zorgt indien nodig voor de opvang van diegene die het bericht brengt (dat kan bv. een zusje of een ouder zijn), wie verifieert de informatie (als het bericht niet van de familie komt) en zoekt contact met de nabestaanden?
  2. Het crisisteam. Hierin zit zeker de directeur, de klastitularis, eventueel bereidwillige ouders of externe specialisten indien nodig. Eén persoon is eindverantwoordelijke. Het crisisteam coördineert initiatieven en is verantwoordelijk voor alle praktische regelingen, maar ook voor informatieverstrekking, contacten met de ouders, nazorg Het team beslist wie geïnformeerd moet worden (vergeet de vaste buschauffeur, afwezige leerlingen en leerkrachten, CLB-medewerkers niet) en wie dat doet.
  3. 3. Het slecht nieuwsgesprek. Als er een leerling van de school sterft is het vaste lesrooster zeker die dag niet aan de orde. De getroffen klas wordt bij voorkeur de hele dag begeleid door een vertrouwde leerkracht (klasleraar, groene leerkracht). Dwing echter niemand: respecteer het als een bepaalde leerkracht het te moeilijk heeft. De verantwoordelijke kondigt in de klas het nieuws zo snel mogelijk aan en geeft zo juist mogelijk informatie. Beslis wie de overige leerlingen waar toespreekt. Ook buiten de getroffen klas kunnen er leerlingen een sterke band hebben met de overledene. Denk van tevoren zorgvuldig na over wat je precies gaat zeggen en hoe je dat doet (een inleidende zin; het hoe, waar en wanneer; het bericht zonder franjes maar niet emotieloos; voldoende tijd voor emoties). Dit alles geldt ook als je de kans hebt gehad de groep op een overlijden voor te bereiden, bijvoorbeeld na een langere ziekte.
  4. Leerlingen die het echt te moeilijk krijgen, kunnen misschien in een bepaald lokaal worden opgevangen. Waar? Door wie?
  5. Wie neemt nog dezelfde dag contact op met de ouders en maakt een afspraak voor een huisbezoek? Overleg de volgende dagen met hen over de mogelijkheden voor de andere leerlingen om afscheid te nemen, op bezoek te komen Blijf hen trouwens uitnodigen voor schoolfeesten Duid daarvoor een verantwoordelijke aan.
  6. Wie informeert de andere ouders via een brief? Daarin moet staan: precieze informatie, wat de school doet qua opvang, wat ouders thuis kunnen doen, bij wie ze terecht kunnen met eventuele problemen.
  7. Wat bij een overlijden tijdens de vakantie: wat doen we minimaal op dat moment? Hoe vangen we de leerlingen op na de vakantie?
  8. Las ook evaluatiemomenten in binnen de school. Doen we het goed? Wat kan beter? Heb daarbij ook aandacht voor mogelijke problemen van collega's.

    Jan, directeur:
    «Ik snap het niet»

    «Ik heb zelf onlangs een zoon verloren. Sindsdien komen mensen wel eens wat aan mij vertellen over hun ervaringen met een overlijden. Zo reageerde een leerkracht onlangs buitengewoon koel in een klas. Hij zei: 'Ik snap niet dat Bart de begrafenis van zijn opa belangrijker vindt dan het examen van Frans.' Zo'n mensen zijn er dus ook»

    Scheiden doet rouwen

    Wie met een (nakend) verlies geconfronteerd wordt, kan uiteenlopende gevoelens doormaken. Neem bijvoorbeeld een kind dat verneemt dat zijn ouders gaan scheiden. Het voelt zich afwisselend onzeker («Misschien is het niet waar»), ontkent de feiten («Bij ons kan dat niet»), wordt kwaad, begint te marchanderen («Als ik nu eens extra mijn best doe thuis, dan blijven ze misschien bijeen»), wordt ten slotte misschien depressief («Het is hopeloos»).

    Pas als iemand de feiten onder ogen ziet, kan de echte verwerking - de eigenlijke rouw - beginnen. Je kan die verschillende stadia (h)erkennen bij een leerling en hem ook helpen die gevoelens te kanaliseren en eventueel te relativeren.

    «Wat met mijn gevoelens?»

    Om gepast te reageren op het verdriet van kinderen en jongeren, is het nodig dat leerkrachten zelf kunnen stilstaan bij hun eigen angsten omtrent leven en sterven. Dat zij hun eigen verdriet kunnen uiten en durven tonen en niet overdreven angstig reageren als verdriet wordt geuit. Leerlingen houden sterk in de gaten hoe een leerkracht omgaat met zijn gevoelens. Een belangrijke houvast: wees authentiek. Leerlingen voelen haarscherp aan of gevoelens oprecht dan wel gespeeld zijn. Steun ook elkaar. De aandacht die collega's elkaar geven op moeilijke momenten, is de beste boodschap over wat men van hen verwacht naar de leerlingen toe.

    Niet (h)erkend verdriet

    Als een leerling buiten de school met de dood wordt geconfronteerd, bijvoorbeeld bij het overlijden van een grootouder, moet de leerkracht hem vragen wat hij nodig heeft. De leerling kan zelf aangeven wat hij met zijn verdriet wil doen in de klasgroep. Hij moet in elk geval de opening krijgen. De leerkracht kan de leerling apart aanspreken en voorstellen in de klas iets te vertellen of iets mee te brengen van de overledene. Er moet in elk geval vanuit de school een aanzet zijn zonder iets te forceren.

    Het overlijden van een ouder tijdens de vakantie riskeert onopgemerkt voorbij te gaan op school. Aarzel niet de leerling erover aan te spreken zodra je het verneemt, ook al is dat al een tijd later. Dat kan voor de leerling een belangrijk signaal zijn dat hij met zijn verdriet ergens terecht kan.

    Verdriet en dood in boeken

    Kinderen houden van verhalen, vooral als die identificatiemogelijkheden bieden. Er bestaan tal van boeken, gedichten en prentenboeken met de dood als onderwerp. De gekozen teksten moeten aangepast zijn aan de leeftijd van de leerlingen. Ook moeten ze een positieve teneur hebben, zonder echter de problemen te minimaliseren. Er moet een vertrouwen uit spreken dat ooit 'het gras weer groen wordt en de zon weer zal schijnen'.

    Zorg dat dergelijke hulpmiddelen in de school aanwezig zijn, zodat ze niet in een crisismoment moeten worden bijeengesprokkeld. Ze zijn ook een goede aanleiding om de thematiek aan te snijden buiten een crisissituatie.

    Je kan meer lezen over verdriet en rouw in:

    Het Klassedossier op www.klasse.be/dossier/verdriet

HelpVerdriet
 

Bekijk het filmpje over dit thema:

 

De lege bank in de klas.

beeld bij dit artikelHet is nooit zo stil geweest in 5a. Je hoort de kaars branden op Vinciannes bank.Vincianne is er niet. 'Meisje van tien verongelukt in dubbele aanrijding',blokletterde de plaatselijke krant. Spontaan vormt zich een kring rond de lege bank in de klas. Haar klasgenoten proberen met hun verdriet te leven. Meester Homer en Laurence Samyn, Vinciannes moeder ook.

 

MEESTER HOMER: «HET IS NIET GEDAAN MET DE BEGRAFENIS»

«Toen we het nieuws vertelden, verliep het heel vreemd. Soms huilden kinderen hartverscheurend en hield één van de mama's hen alleen maar vast, zonder iets te zeggen. Plots was het doodstil, dan weer werd er verteld, gelachen zelfs om een leuke herinnering. Later zijn we naar het park gegaan. Daar reageerde iedereen zich op zijn manier af: soms hollen en schreeuwen, dan weer doodstil staan of hardop huilen. Het mocht. De week nadien hebben we getekend, gepraat, geschreven. Ik had een map met gedichten rond de dood en die was de rode draad door de week.» «Het ongeluk gebeurde 's avonds laat. De volgende avond stond Vinciannes leerkracht hier samen met de directeur. Konden zij iets voor mij doen? Zij hebben samen met de kinderen van de klas de begrafenis helemaal voorbereid en alles met mij besproken. En ze hebben het prachtig gedaan.

Ik vroeg me af wat er door al die kinderhoofden heenging. De eerste dagen na het ongeluk kreeg ik veel telefoontjes van ouders van klasgenoten van Vincianne. Mensen die ik nauwelijks kende. Toen vond ik dat lastig, maar uiteindelijk werd het een steun. Nu kan ik met hen over Vincianne praten als ik daar behoefte aan heb. Ik denk dat ze veel hebben geleerd van hun kinderen en van de manier waarop de school met haar dood is omgesprongen.

Ik bewonder meester Homer, want die heeft tegelijk met zijn klas het schooljaar moeten afwerken en al die kinderen met hun verdriet moeten opvangen. Makkelijk kan dat niet geweest zijn. Het doet mij en mijn andere kinderen goed dat Vincianne niet vergeten wordt. Haar foto hangt in de hal van de school en daar zijn we fier op. En geregeld vind ik op het graf van Vincianne een knuffel of een zelfgeplukt boeket. Ik werd ook de rest van het schooljaar op alle activiteiten uitgenodigd. Op de laatste ouderavond ben ik haar spullen gaan ophalen.Haar turnpak, haar knutselwerkjes. Die hadden daar de hele tijd gelegen, op haar vaste plek in de klas, samen met haar foto. En de meester heeft lang met mij gepraat. Over Vincianne. Het doet me deugd over mijn dochter te praten. Ik heb dat nodig. Maar ik weet dat sommige mensen er liever niet aan herinnerd worden. Er zijn er die zeggen: 'Je hebt toch nog drie kinderen.'

Dat doet me pijn. Ik heb vier kinderen, en dat zal altijd zo blijven.»

«Tranen voor een knuffel»

 

Een knuffel gaat verloren, op het einde van het schooljaar neem je afscheid van die superjuf, een klasgenootje verongelukt Verdriet maakt deel uit van het leven van elke dag, net zoals angst, woede of vreugde. Maar het verdriet van een kind dat zijn eerste liefje in de lagere school verliest, is natuurlijk van een andere intensiteit dan als opa sterft. Als je iemand (of iets) kwijtraakt die je dierbaar is, spreken we van rouw. Dat kan dus ook bij een scheiding of verhuizing. Rouwen gebeurt niet vanzelf. Verdriet gaat niet vanzelf over. Wie iemand of iets verliest, moet vier rouwtaken doorlopen om dat verlies echt te verwerken.

Taak 1: het verlies onder ogen zien

Kinderen die rouwen hebben, net zoals volwassenen, nood aan aandacht, liefde en veiligheid. In zo'n klimaat durven ze hun verlies onder ogen zien. Soms lijkt een kind op het eerste moment vooral bezorgd om zijn eigen gemak («Wie brengt me nu naar de muziekschool?»). Het lijkt alsof het gevoelloos is, maar eigenlijk stelt het zijn rouwen uit tot het zich veilig genoeg voelt.

Taak 2: de pijn van het verlies ervaren

Als we verdriet verdrukken («Huil nu maar niet meer»), komt dat later terug, in de vorm van hoofdpijn of slaapproblemen bijvoorbeeld. Of een kind wordt plotseling agressief of zijn schoolresultaten gaan fel achteruit. Dat kunnen tekenen zijn van slecht verwerkt verdriet.

Taak 3: leren leven zonder

We moeten de draad van het dagelijkse leven weer oppikken. We leven met de goede en de slechte herinneringen.

Taak 4: nieuwe banden smeden

We durven niet meer lachen, ons niet meer binden nadat iemand is doodgegaan. We denken dat we anders ongevoelig zijn. Een kind moet ervaren dat er na een tijd ruimte is voor nieuwe banden.

Als de rouw ten einde is, betekent dat niet dat we de dode vergeten. Iets van het verdriet gaat een heel verder leven mee. Maar we gaan ons op de duur wel opnieuw goed voelen. We kunnen opnieuw afrekenen met de problemen van alledag.

Groot en klein verdriet: 7 tips

Kinderen worstelen op twee niveaus met de dood: ze proberen te begrijpen wat de dood precies betekent («Heeft hij het koud?») én ze proberen om te gaan met hun gevoelens. Hoe kan u hen als ouder steunen?

6 Praat ik thuis over gevoelens? Wie thuis een sfeer schept waar kinderen terechtkunnen met àl hun gevoelens (blij, bang, boos, kleine verdrietjes), zorgt ervoor dat ze ook groot verdriet makkelijker kunnen verwerken.

6 Praat ik over de dood? Een dode vogel in het park, bloemen die verwelken Er zijn veel aanleidingen om het er met een kind over te hebben. Dan weet uw kind: de dood hoort bij het leven.

6 Toon ik mijn eigen gevoelens (verdriet, boosheid, angst)? Uw kind spiegelt zich aan u. Wat u doet, is 'normaal'. Wees dus niet bang om te wenen waar uw kind bij is.

6 Antwoord ik op alle vragen? Een antwoord kan ook zijn: «Ik weet het niet» of «Ik heb het erg moeilijk». Vertel geen leugens. Zeg uw kind dat u altijd samen wil praten over de overledene.

6 Luister ik naar de gevoelens achter de vragen? Of zeg ik mijn kind 'dat het maar flink moet zijn'? Spreek ik niet alleen over de feiten? Heb ik ook aandacht voor het verdriet van mijn kind of voor mogelijke andere gevoelens (zich schuldig voelen, kwaad zijn op de overledene omdat die hen 'in de steek heeft gelaten')?

6 Geef ik de kans om afscheid te nemen? Wie een overleden huisdier meteen vervangt, geeft het kind geen kans om erover te rouwen. Stel uw kind bij elk verlies vragen en luister naar wat het nodig heeft. Het kan een tekening maken, een brief schrijven, meegaan naar de begrafenis Spreek erover, maar forceer niets.

6 Hou ik de herinnering in stand? Doe niet alles weg wat aan het verdriet herinnert. Een foto in huis is een gelegenheid om erover te praten. Het is ook een teken dat wie weg is, niet vergeten is.

GEDEELD VERDRIET

Kinderen helpen met hun verdriet is niet altijd makkelijk. Vooral als je als ouder zelf door verdriet verteerd wordt. De leerkracht van uw kind kan ongetwijfeld helpen. Aarzel niet om hem of haar op de hoogte te brengen en zijn of haar hulp in te roepen. Deze maand lezen de leerkrachten in hun Klasse hoe ze kinderen met verdriet en rouw kunnen leren omgaan. Gedeeld verdriet

Wie meer wil lezen over verdriet en rouw kan in de bibliotheek terecht onder het SISO-nummer 418.7. Voor een luisterend oor kan u zeven dagen op zeven, dag en nacht terecht bij Tele-Onthaal op het gratis nummer 106.

Voor uw kind is er de kinder- en jongerentelefoon: 078-15 14 13 (elke dag van 16 tot 20 uur, behalve op zon- en feestdagen).

 

 

 

Verliefdheid

Verliefd op school

«Verliefde kleuters of tieners? Ach kom, dat zijn toch sprookjesgevoelens in een wereld van ridders op witte paarden en slapende prinsessen», zegt Birgit (33). «Je kan die gevoelens toch niet ernstig nemen?» Alicia, Quinten, Elien en Wladimir leven niet in zo'n sprookjeswereld. Ze zitten in de klas en zijn verliefd «Als ik raad wil van mijn ouders, zal ik er wel om vragen», zegt Wladimir (10). Hoe fladderen de vlinders op Valentijn?

 

Alicia Portilla (13): «Ouders moeten niet boos kijken»

Verliefd? «Een jongetje in de tweede kleuterklas deed alles voor mij. Zijn naam weet ik niet meer. Hij had groene ogen en ik voelde me blij en vrolijk. Ik was verliefd en vond dat heel spannend.»

Vlinders? «Ik herinner me vooral dat ik me veilig en geborgen voelde bij hem. Hij zorgde goed voor mij. We verstonden elkaar met een knik en een blik. Nu heb ik geen vaste vriend. Ik denk dat me dat ooit nog wel eens zal overkomen. Ik zit er niet op te wachten. Wat komt, komt.»

Ouders? «Mijn mama was ook blij. Ze vond zo'n twee verliefde kleuters waarschijnlijk heel schattig. Ik hoop dat ze me vertrouwt als ik nog eens verliefd ben. Ouders moeten kinderen ruimte geven en dat is zeker zo als ze verliefd zijn. Als verliefde kinderen samen willen zijn tijdens een wandelingetje of alleen op hun kamer moeten ouders niet boos kijken. Het is leuk als je voelt dat er vertrouwen en vrijheid is in huis. Ik wil enkel raad krijgen als ik er om vraag.»

 

 

Quinten Scheutijzer (4): «Ik geef Astrid elke dag een kus»

Verliefd? «Ik ben op Astrid (4). We zijn verliefd geworden toen de juf vorig jaar een verhaal vertelde over trouwen. We mochten ons toen verkleden in de klas. Ik was bruidegom en Astrid mijn bruid. Astrid is mijn vriendin. Zij is lief en mooier dan de andere meisjes van mijn klas. Ik weet zelfs waar ze woont.»

Vlinders? «Zij is ook op mij. Ik ga trouwen met Astrid dan kan ik haar veel kussen en met haar naar het park en de zee. We spelen veel samen. Ik geef haar elke dag een kus. Ik heb nog geen tekening voor haar gemaakt.»

Ouders? «Iedereen weet dat ik op Astrid ben. Mijn mama geeft mij een kus als ik over Astrid vertel. Leuk.»

 

 

Elien Verlinden (9): «Ik let op wat ik vertel»

Verliefd? «Thijs (9) ken ik al vanaf het eerste leerjaar. We hebben altijd in dezelfde klas gezeten. We zijn een koppeltje vanaf het derde. We lopen hand in hand en kruipen dicht tegen elkaar aan. Op de speelplaats speelt Thijs met de jongens en ik met mijn vriendinnen. Bij kattekekus zoen ik Thijs soms op de mond. De andere jongens krijgen een kus op hun wang.»

Vlinders? «Samen zijn is spannend en rustig tegelijk. We zorgen voor elkaar het hele schooljaar lang. Als ik ruzie heb met een vriendin probeert Thijs ons terug vriendinnen te maken. Na een vakantie geven we elkaar souvenirs. De vakantie overleven we omdat we elkaar veel briefjes vol met "Ik mis je" schrijven. Op Valentijn geef ik Thijs een dikke zoen.»

Ouders? «Als grote mensen verliefd zijn kunnen ze elkaar zien waar en wanneer ze willen. Als kinderen verliefd zijn willen grote mensen er zich mee bemoeien, dus let ik wel op wat ik hen vertel.

 

 

Wladimir Vanheester (10): «Pas op, geen seks!»

Verliefd? «Het was liefde op het eerste gezicht met Bo (9). We hebben er zes maanden over gedaan voordat we het aanmaakten. Dat lijkt lang maar zoiets wil ik niet zomaar en snel doen. Ondertussen leerde ik haar beter kennen. Onze ouders zijn vrienden en daarom zien we elkaar dikwijls tijdens de weekends. We zijn zelfs al samen op vakantie geweest. Voor Bo maak ik nu de perfecte kampen. Zij verrast me met rode hartjes.»

Vlinders? «Ik voel me vrolijk als ik Bo zie. Samen in de zetel naar een film kijken is reuze. Zalig als we hand in hand met haar hondje wandelen. Kan dat gevoel blijven duren? Ik wil het best.»

Ouders? «Goede raad van ouders is meestal dreigend: "Pas op hoor!" "Geen seks!". Het zijn net zij die bij verliefdheid direct aan seks, vrijen en lang zoenen denken. Ouders mengen zich beter niet met de verliefdheid van hun kind. Als ik raad wil zal ik er wel om vragen. Bo en ik praten genoeg met elkaar om te weten wat we willen. Ik zal nooit iets forceren. Ik vind dat liefde iets is van het hart en het verstand.»

 

Win de liefdesgadgets op de foto's van deze reportage. Stuur vóór 15 maart een liefdesverhaal op van jouw kind. Klasse voor Ouders verrast elke inzending met een hart (in een of andere vorm). Schrijven naar: Klasse voor Ouders (HART) - Koning Albert II-laan 15 - 1210 Brussel - red.ouders@klasse.be

Is mijn kind echt verliefd?

«Jonas (5) zegt dat hij met zijn juf wil trouwen. Dat zijn toch sprookjesgevoelens. Zet ik Jonas niet beter met zijn gevoelens meteen terug op de grond?» (Birgit, 33)

Eigenlijk toont Jonas dat hij zijn juf graag heeft, dat hij zich goed voelt op school. Lach niet met wat Jonas zegt. Vertel dat je het leuk vindt dat hij graag bij de juf is. Je hoeft niet in te gaan op de trouwplannen. Doe je dat wel, dan stel je beter vragen over hoe hij dat ziet («Is de juf al niet getrouwd?», «Heeft de juf al geen 'dikke vriend?'»). Ondermijn dus niet de trouwplannen met al je realiteit.

 

«Tanja (10) is verliefd op Maarten (10). Ik zeg altijd dat dat op die leeftijd geen echte gevoelens kunnen zijn. Hoe praat ik daarover?» (Bert, 43)

Lach de gevoelens van je kind zeker niet weg («Verliefd? Jij weet nog niet wat dat is.»). Anders maak je je kind eenzaam en ervaart het dat het zijn gevoelens en twijfels thuis beter niet toont. Gebruik zelf niet als eerste het woord 'verliefd'. Dat maakt voor je kind het verhaal te geladen. Zorg voor een open sfeer thuis. Forceer geen gesprek. Wil je er echt wél over praten, kies dan een rustig moment en vertel je kind waar jij mee zit en vertel wat je denkt en voelt. Praat erover met je partner en zeg dat ook aan je kind. Het is een kans om te vertellen over jouw relatie. Je kind kan daar wat van opsteken.

 

«Patrick (12) heeft een liefje en spreekt over 'mijn poepeke'. Ik vind dat woord zo erg, je noemt je liefje toch geen 'poepeke'.» (Sandra, 40)

Verliefd zijn is voor je kind nieuw. De taal die het gebruikt om dat allemaal te verwoorden moet je kind al doende ontwikkelen. Geef hem de kans zijn eigen woorden te gebruiken. Hij zal die oppikken uit de media of zijn omgeving. Gebruik dus zelf de juiste woorden.

 

«Carolien (9) was altijd op Jeroen. Gisteren zag ze Jeroen omgaan met Katrien. Gevolg: tranen met tuiten. Moet ik Carolien hard maken en vertellen 'dat dit bij het leven hoort'?» (An, 36)

Neem de gevoelens van je kind ernstig. Ze kan echt ongelukkig zijn als ze zich afgewezen voelt door een beste vriend(in). Laat je kind erover vertellen en wees samen droef. Maar plaats het verdriet in een juiste context. Zo maak je duidelijk dat het probleem niet op het hele leven slaat. Geef je kind tips om de 'gebroken relatie' te bespreken met het 'ex-liefje' en overloop samen wat de mogelijke reacties van de andere kunnen zijn.

Klasse werkte voor deze tips samen met Lieve Vandemeulebroecke - hoogleraar aan het Centrum voor Gezinspedagogiek van de KULeuven.

Verliefd zijn. Leer je dat op school?

 

Verliefd zijn leer je niet. Het overkomt je. Maar elke school moet haar leerlingen wel leren omgaan met gevoelens (blij, bang, verdrietig), respect hebben voor elkaar, opkomen voor de eigen mening, zich inleven in de gevoelens van iemand anders. Dat leren kinderen op school via de vakoverschrijdende eindtermen. Leren is meer dan rekenen, taal en WO alleen. Ouders kunnen dat thuis ondersteunen. Meer over de eindtermen lees je op www.ond.vlaanderen.be/dvo

 
«Jonas (5) zegt dat hij met zijn juf wil trouwen. Dat zijn toch sprookjesgevoelens. Zet ik Jonas niet beter met zijn gevoelens meteen terug op de grond?»

 

 

De juffen en meesters...

Juf Arends is streng. Orde en stiptheid vindt ze het belangrijkst. Ze wil dat het stil is in de klas. Ze geeft niet snel goede cijfers. Je kind vindt haar toetsen moeilijk. Toch wil het liever geen vragen stellen aan haar. Misschien is je kind bang voor haar reactie?

Hoe goed past dit typetje bij de leraar van je kind?
Tips: Juf Arends heeft niet graag dat je je bemoeit. Stel duidelijke vragen op basis van feiten. Laat zien dat je haar waardeert als partner bij de opvoeding van je kind. Als er problemen zijn, vraag dan hoe het komt. Vraag wat ze van je kind verwacht en hoe jij daarbij kan helpen.


Meester De Leeuw is een echte leider. Hij is enthousiast en heeft de touwtjes stevig in handen. De regels zijn duidelijk. Je kind mag niet vaak mee beslissen. Toch gaat het met plezier naar zijn les en leert er veel bij.

Hoe goed past dit typetje bij de leraar van je kind?
Tips: Meester De Leeuw bepaalt graag waarover het gesprek gaat. Hij praat en jij luistert. Je loopt dus het gevaar dat je met jouw vragen blijft zitten. Bedenk vooraf waar je over wil praten. Schrijf je vragen op en hou ze bij je. Vraag bij het begin van het gesprek om de onderwerpen te overlopen. Werk ze stap voor stap af.


Meester De Hond probeert je kind altijd te helpen. Hij is ‘een losse’ en heeft niet veel regels nodig. Hij werkt aan een prettige sfeer in de klas. Je kind mag grapjes maken. Het vertrouwt de meester en kan met hem praten.

Hoe goed past dit typetje bij de leraar van je kind?
Tips: Meester De Hond gaat vlot mee in het gesprek. Hij vertelt veel. Zorg dat je niet afwijkt van het onderwerp: jouw kind. Vraag om duidelijke informatie, duidelijk advies, duidelijke afspraken. Meester De Hond geeft die graag.


Juf Beerse staat altijd klaar voor je kind. Ze luistert, is geduldig, maakt geen ruzie en doet water bij haar wijn. Je kind voelt zich begrepen, gaat graag naar haar les en werkt goed mee.

Hoe goed past dit typetje bij de leraar van je kind?
Tips: Juf Beerse luistert naar jouw verhaal. Maar zegt ze zelf genoeg? Krijg je genoeg antwoorden? Stel open vragen: welke problemen ziet zij, wat gaat goed, hoe is je kind in de klas…? Overloop op het einde van het gesprek de gemaakte afspraken.


Juf De Cat geeft de kinderen veel vrijheid. Ze krijgen snel hun zin. Deze juf is snel tevreden en vindt rumoer in de klas niet erg. Ze houdt rekening met het tempo van je kind. Je kind mag mee beslissen en is daardoor gemotiveerd.

Hoe goed past dit typetje bij de leraar van je kind?

Tips: Juf De Cat laat het gesprek aan jou over. Stel vragen waar ze ja of nee op moet antwoorden: gedraagt mijn kind zich goed, voelt hij zich goed, heeft hij geen problemen met...? Zeg wat je verlangt en vraag hoe ze jou kan helpen. Laat aan juf De Cat vooraf weten waarover je wil praten.


Juf Gierens is ontevreden. Ze dreigt vaak met straf maar voert ze niet uit. Kinderen krijgen veel kritiek en kunnen weinig goed doen. Ze vertrouwt haar leerlingen niet en dat geldt ook omgekeerd.

Hoe goed past dit typetje bij de leraar van je kind?
Tips: Juf Gierens is bang voor verwijten. Ze verdedigt zich fel. Spreek dus niet over haar. Spreek over jezelf, je kind, een situatie. Praat eerst over wat goed gaat. Stel goed afgelijnde vragen: wat gebeurt er precies, hoe reageert mijn kind...?


Meester Van Muizen is onzeker. Hij weet niet goed hoe je kinderen aanpakt. Hij wacht af en ziet wel wat er gebeurt. De lessen zijn ongestructureerd en de kinderen doen maar wat. Je kind vindt hem aardig maar plaagt hem.

Hoe goed past dit typetje bij de leraar van je kind?
Tips: Meester Van Muizen is zenuwachtig voor dit gesprek. Bereid je goed voor, weet waarover je wil praten. Stel deze meester eerst op zijn gemak. Spreek niet over gevoelens. Zoek samen naar manieren om met je kind om te gaan. Zeg wat thuis werkt.


Meester De Bok is ‘een kwaaie’. Hij wordt snel boos, verbiedt veel, maakt regelmatig ruzie. Complimentjes geeft hij niet. Je kind is bang om fouten te maken want dan krijgt hij kwetsende opmerkingen.

Hoe goed past dit typetje bij de leraar van je kind?
Tips: Meester De Bok voelt zich snel aangevallen. Spreek over wat jij bij je kind ziet. Stel aan deze meester vragen vanuit je kind: hoe voelt je kind zich, wat is een oplossing voor hem, waarom werkt die aanpak...? Blijf rustig en vriendelijk.